Categorie archief: Evolutionaire psychologie

Vijf psychologische reflexen

Reflexen zijn snelle maar rigide reacties op specifieke prikkels in de omgeving. Mensen hebben verschillende reflexen zoals de kniepeesreflex, de hoestreflex en de valreflex. Deze reflexen zijn van evolutionair belang om ons te helpen snel onze balans te herstellen, te voorkomen dat we stikken of om verwondingen bij een val te beperken bij een val. Soms wordt er gedacht dat reflexen enkel een klein deel van ons (motorisch) gedrag bepalen. Maar verrassend genoeg hebben mensen een vrij uitgebreid repertoire aan reflexen om snel te reageren op verschillende prikkels in de omgeving, welke vaak complexer zijn dan simpele motorische reacties. In deze blog bespreek ik vijf ‘psychologische reflexen’ en hun (speculatieve) evolutionaire functie.

De schrikreflex

Eén bekende reflex die vaak in psychologische laboratoria wordt onderzocht is de schrikreflex. Hierbij springen mensen een klein beetje op en zetten hun spieren schrap bij het horen van een onverwachts (luid) geluid (bv., een luide knal). Vaak ook knipperen mensen met hun ogen bij deze reflex. Deze reactie ontplooit zich over een tijdspanne van 80-300 milliseconden en is daardoor bijzonder snel. De functie van deze reflex is om het lichaam te helpen reageren op een plotse impact en de ogen te beschermen. Wanneer mensen zich angstig voelen is deze reflex sterker uitgesproken. Dat is een evolutionaire nuttige aanpassing van de schrikreflex, want dit zorgt ervoor dat we sneller kunnen reageren in mogelijk bedreigende situaties. Bij mensen die last hebben van post-traumatische stressstoornis (bv., bij soldaten na een gevechtsmissie) is de schrikreflex ook vaak sterker aanwezig, wat wijst op hun continu verhoogde alertheid.

Nerveuze lach

In ongemakkelijke of bedreigende situaties kunnen mensen soms een nerveuze lach vertonen. Hierbij worden de kaken opgespannen en de tanden ontbloot, maar de gelaatsuitdrukking is minder ontspannen dan bij een normale lach en komt hierdoor minder natuurlijk over. Het is niet helemaal duidelijk wat de evolutionaire functie is van een nerveuze lach. Mogelijks is het een automatische deceptiestrategie om nervositeit niet te tonen. Of mogelijks is de functie van de nerveuze lach om de tanden te ontbloten, wat bij sommige apensoorten een signaal van intimidatie is naar tegenstanders. Wat ook de evolutionaire functie is van een nerveuze lach, het is duidelijk dat het een sterke en onvrijwillige psychologische reflex is welke professionele pokerspelers er soms toe dwingt om anti-angstmedicatie te nemen.

Bron: wr heustis - Pexels

Kippenvel krijgen

Een andere reflex waarvan de evolutionaire functie bij mensen niet helemaal duidelijk is is kippenvel krijgen. Hierbij gaan de haren op de huid rechtopstaan en lijkt hierdoor een beetje op de huid van een geplukte kip. Deze reflex komt vaak voor wanneer mensen het koud hebben. Het rechtopstaan van de haren bij koude helpt om de warme lucht die van ons lichaam afkomt beter vast te houden. Maar ook bij emotionele ervaring zoals tijdens meeslepende muziek, een romantische film of een indrukwekkend betoog kunnen mensen soms kippenvel krijgen. De reden waarom dit gebeurt is niet helemaal duidelijk. Bij andere dieren is het rechtopstaan van de haren soms een intimidatiesignaal om zo groter te lijken (zoals bijvoorbeeld bij honden). Bij mensen is het echter niet helemaal duidelijk wat het evolutionaire nut is van deze reflex bij sterke emoties.

Bron: Wikipedia

Zuigreflex bij baby’s

Pasgeboren baby’s hebben vele verschillende reflexen zoals de grijpreflex en de zuigreflex, die later in het leven weer verdwijnen. De zuigreflex helpt om de borstvoeding vlot te laten verlopen en heeft dus een duidelijke evolutionaire functie. Baby’s kunnen ook vaak succesvol worden getroost met een fopspeen. Verder lokt borstvoeding weer een andere reflex uit bij de moeder: het resulteert in het vrijkomen van het hormoon oxytocine. Dit hormoon helpt bij het verder op gang brengen van de borstvoeding (toeschietreflex) en het vormen en versterken van de emotionele band tussen de moeder en baby. De zuigreflex lokt dus een hele reeks aan reflexen en hormonale veranderingen uit bij het kind en bij de moeder, wat een belangrijke rol speelt in het vormen van de ouder-kindband en de verdere ontwikkeling.

Angst voor slangen

Een laatste ‘reflex’ bij mensen is angst voor slangen. Reflex staat in de vorige zin tussen haakjes omdat er in tegenstelling tot de voorgaande reflexen geen heel duidelijk observeerbare motorische reactie aanwezig is. Wel is het zo dat angst voor slangen een vaak voorkomend en onvrijwillig gedragspatroon is bij mensen, waardoor het in brede zin kan geclassificeerd worden als een reflex. Verder is deze reflex bij andere dieren duidelijker zichtbaar, zoals bij katten die wegspringen wanneer ze een komkommer verwarren met een slang (zie onderstaande filmpje).

Andere reflexen en het aanleren van ‘reflexen’

Mensen hebben nog veel andere psychologische reflexen dan de bovengenoemde vijf reflexen, zoals pijn ervaren wanneer je je been breekt, seksuele opwinding bij het zien van een aantrekkelijk persoon of hongergevoelens bij het ruiken van lekker eten. In de taal van één van de bekendste psychologen en fysiologen, namelijk Ivan Pavlov, worden een been breken, een aantrekkelijk persoon zien of lekker eten ruiken ongeconditioneerde stimuli genoemd. Dit wil zeggen dat deze stimuli onvoorwaardelijk een reactie uitlokken zoals pijn, opwinding en hongergevoelens, net zoals andere reflex-prikkels dit doen.

Pavlov heeft echter ook aangetoond dat we door middel van conditionering ook ‘reflexen’ kunnen aanleren voor andere stimuli, zoals het krijgen van hongergevoelens bij het horen van een bel nadat deze bel consequent samen aangeboden is geweest met lekker eten. In de taal van Pavlov wordt de bel een geconditioneerde stimulus genoemd, omdat het horen van een bel pas een reactie uitlokt nadat deze herhaaldelijk samen aangeboden is geweest met lekker eten (m.a.w., geconditioneerd is geweest). Via conditionering leren mensen ‘reflexen’ aan voor veel verschillende soorten van prikkels, zoals het blij worden bij het horen van het geluid van de ijscoman, het automatisch lezen van geschreven letters en het misselijk worden bij het ruiken van specifiek voedsel na een voedselvergiftiging (Domjan, 2005; Pavlov, 1927).

Conclusie: Mensen hebben veel onvrijwillige reflexen

Uit de bovengenoemde voorbeelden blijkt dat mensen heel wat onvrijwillige reacties (‘reflexen’) hebben bij verschillende prikkels. Deze zijn vaak aangeboren, maar kunnen ook soms aangeleerd zijn via conditionering. Aangeboren reflexen hebben zich doorheen onze evolutionaire geschiedenis ontwikkeld en bepalen meer van ons gedrag dan dat we soms denken. Dat is maar goed ook: Bij veel reflexen is het net van belang om snel en efficiënt te kunnen reageren zonder al te veel na te denken. Het is namelijk beter om zonder na te denken iets te vaak weg te springen van een komkommer of een tak in het gras dan om éénmalig niet weg te springen bij een echte slang.

Mensen (en vele andere dieren) hebben echter ook de capaciteit tot het aanleren van nieuw gedrag via conditionering en andere leer-procedures. Dit geeft ons de mogelijkheid om efficiënt te kunnen reageren op veel verschillende prikkels, ook diegene die geen grote evolutionaire rol hebben gespeeld. Ook bij aangeleerd gedrag is het van belang dat dit gedrag snel en efficiënt wordt vertoond (zoals bv. het wegrennen bij een grommende hond nadat je bent gebeten geweest). Daarom dat we ons ook vaak niet volledig bewust zijn van aangeleerde ‘reflexen’, aangezien het aangeleerde gedrag vaak automatisch plaatsvindt. Echter is het voor therapie soms belangrijk om bewust te worden van deze (aangeleerde) gedragspatronen omdat ze soms tot problemen leiden en kunnen doorbroken worden door bewust andere gedragingen uit te proberen (bv., niet wegrennen van rustige honden, maar net over jouw angst voor honden heen proberen komen).

Referenties

Domjan, M. (2005). Pavlovian conditioning: A functional perspective. Annual Review of Psychology56(1), 179-206.

Pavlov, I.P. (1927). Conditioned reflexes; an investigation of the physiological activity of the cerebral cortex. (Translated and edited by G.V. Anrep) Oxford U.P., Humphrey

Blog 9 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Meer dan evolutie: Hoe status en sociale beloningen gedrag motiveren

Onze evolutionaire geschiedenis bepaalt voor een groot deel ons gedrag. Toch is de huidige omgeving en met name sociale beloningen (bv., bewondering, erkenning of sociaal aanzien door anderen) ook van groot belang om ons gedag te verklaren. Dit komt voort uit onze groepsgevoeligheid als mensen (zie ook blog 2). Voorbeelden van extreem gedrag dat gemotiveerd wordt door sociale beloning is het meerdere jaren studeren voor het behalen van een diploma of het vijfmaal bidden per dag als godsdienstig ritueel. Dit zijn beiden gedragingen die veel tijd en energie kosten, zonder dat zij direct bijdragen aan het doorgeven van genen. Echter indirect hebben deze gedragingen wel een evolutionaire functie omdat ze sociale status kunnen vergroten binnen een groep en op die manier kunnen bijdragen aan het vinden van een goede partner en reproductief succes. Maar soms kunnen deze sociale beloningen ook aanleiding geven tot problematisch gedragingen zoals verspillende luxe-consumptie of risicogedrag. In deze blog wordt verder uitgewerkt hoe sociale beloningen soms kunnen resulteren in schadelijk gedrag.

Groepsgevoeligheid en sociale beloningen

Sommige gedragingen die mensen doen, zoals bidden, studeren of topsport, zijn moeilijk te begrijpen vanuit evolutionair perspectief. Integendeel zelfs, in evolutionaire termen zijn dit kostelijke gedragingen omdat zij veel tijd en energie onttrekken aan het ultieme evolutionaire doel: het doorgeven van genen. Deze gedragingen kunnen pas goed begrepen worden wanneer we mensen bekijken als een groepsdier. Veel gedragingen leiden niet tot onmiddellijke beloningen in een omgeving (bv., sport kost energie), maar dragen bij aan het verkrijgen van een hogere status binnen de groep (bv., topsporters hebben veel sociaal aanzien). Deze hogere status is dan weer voordelig om vlotter toegang te hebben tot evolutionair belangrijke zaken zoals partners en bondgenoten. Andere voorbeelden van kostelijke gedragingen die kunnen leiden tot een hogere sociale status (of deze status tentoonspreiden) binnen een groep zijn dure kleding, juwelen, auto’s, reizen, vrijwilligerswerk, filantropie, tattoos, lezen, muziek maken en kunst.

Het zoeken naar status en sociale beloningen kan een sterke invloed uitoefenen op ons gedrag. Dusdanig zelfs dat het aanleiding geeft tot soms absurde gedragingen die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor het individu of de samenleving. In deze blog worden er een aantal van dit soort extreme gedragingen beschreven die niet alleen verklaard kunnen worden door evolutionaire aanpassing, maar vooral door sociale beloning en status. Maar eerst is het nodig om het belang van een sociale hiërarchie en sociale status uit te leggen.

Het evolutionaire nut van sociale hiërarchieën en status signaling

Mensen, net zoals vele andere groepsdieren, leven in groepen met een sociale hiërarchie. Deze sociale hiërarchie heeft een nut voor de groep, zoals het voorkomen van constant geweld en competitie voor toegang tot voedsel of partners. De groepsleden die hoger in de hiërarchie staan krijgen als eerste toegang tot deze zaken, wat wordt gerespecteerd door de groepsleden die lager in de hiërarchie staan. Deze rangorde kan soms worden betwist, zoals bijvoorbeeld wanneer jonge chimpansee mannetjes het alfa-mannetje uitdagen als leider. Maar zelfs wanneer het alfa-mannetje verslagen wordt komt er uiteindelijk telkens opnieuw een sociale hiërarchie omdat dit stabieler en veiliger is voor de groep dan een anarchie waarbij er continu competitie, conflict en geweld plaatsvindt over schaarse middelen (1).

Om te voorkomen dat er telkens opnieuw conflict ontstaat over de hiërarchie zullen groepsdieren zoals chimpansees, olifanten en mensen gebruik maken van “signaling” om hun status te tonen. Een welbekend voorbeeld is een gorilla die op zijn borst klopt en daarbij luid schreeuwt. Op deze manier signaleert deze gorilla dat hij sterk en gezond is, en dat het geen zin heeft voor rivalen om zijn status te proberen uitdagen (2). Dit heeft voordelen voor zowel het alfa-mannetje als de rivalen: bij beiden wordt risico op verwonding door onderlinge competitie vermindert zolang het status signaal als geloofwaardig wordt gezien. Status signalen hebben dus evolutionaire voordelen bij groepsdieren, inclusief mensen, omdat het onnodige competitie en geweld kan voorkomen. Andere voorbeelden van status signaling bij dieren zijn de staart bij een mannelijke pauw, het springen uit water door dolfijnen en het fluiten bij vogels.

Status signaling bij mensen, risicogedrag en overconsumptie

Ook mensen maken veel gebruik van signaling om hun status aan te tonen. Typische voorbeelden zijn competitiesport, risicogedrag (bv., te snel rijden) en luxe-consumptie (bv., merkkleding). Op deze manier kunnen mensen geloofwaardig aantonen dat zij fysiek gezond zijn, dat ze bereid zijn om grote risico’s te nemen en/of dat ze beschikken over veel middelen. Binnen deze specifieke gebieden kunnen mensen soms onderling steeds extremere competitie met elkaar aangaan om hun sociale positie aan te tonen, zoals steeds luxueuzere auto’s, horloges of handtassen kopen of net steeds gevaarlijker risicogedrag vertonen. Net zoals bij andere dieren heeft dit signaling gedrag bij mensen de functie om hun sociale positie binnen de groep te demonstreren of proberen verkrijgen.

Helaas kan signaling-gedrag soms nadelen opleveren voor de individuele persoon én vooral ook voor de bredere groep. Een extreem voorbeeld is het fenomeen “trofee-jagen”, waarbij “jagers” exotische dieren zoals giraffen, neushoorns of tijgers doden om hun financiële en sociale status aan te tonen. Dit heeft geleid tot het uitsterven van hele diersoorten, zoals bijvoorbeeld de witte neushoorn. Het aantonen van status door trofeejagers leidt dus tot grote negatieve gevolgen in biodiversiteit, waar hele ecosystemen (en ook mensen) last van hebben en nadelen van ondervinden. Maar signalering-gedrag hoeft niet altijd negatieve gevolgen te hebben voor de bredere groep. Een positief voorbeeld van status-signalering zijn wetenschappers die via continue competitie met elkaar (o.a., via het aanvragen van prestigieuze beurzen) op zoek gaan naar nieuwe inzichten, medicatie of technologieën die het leven van vele mensen kunnen verbeteren.

Religieus gedrag, status signaling en celibaat

Een ander voorbeeld van signalering-gedrag bij mensen dat bekrachtigd wordt door gekoppelde sociale beloningen is religieus gedrag. In evolutionaire termen is religieus gedrag niet direct adaptief: Het investeren van veel tijd in bidden of het lezen van religieuze teksten heeft weinig direct nut voor het doorgeven van genen aan een volgende generatie. Het is zelfs nadelig, aangezien het tijd en energie kost die zou kunnen gebruikt worden om een partner te vinden of voedsel te verzamelen. Maar indirect kan religieus gedrag belangrijke voordelen opleveren: Het verhoogt het sociale aanzien binnen de groep en kan daarbij bijdragen aan het vinden van een partner of het verkrijgen van meer (sociale) middelen.

Soms kan religieus gedrag leiden tot nog meer extreme vormen van evolutionair nadelige gedragingen. Zo kiezen priesters in de katholieke kerk ervoor om celibatair te leven. Dit gedrag heeft absoluut geen directe genetische voordelen voor het individu want dit houdt in dat zijn/haar genen niet worden doorgegeven aan een volgende generatie. Vanuit een evolutionair perspectief is het celibaat dan ook erg moeilijk te verklaren. Mogelijk brengt het celibaat bepaalde sociale voordelen met zich mee voor de familie van diegene die het celibaat aangaat. Zo lijkt het erop dat boeddhistische monniken in China die het celibaat aangaan gemiddeld gezien meer neefjes en nichtjes hebben dan andere personen, mogelijks doordat zij meer middelen hebben om hun familie te ondersteunen door hun sociale aanzien (3). Op deze manier kan, vanuit evolutionair oogpunt, extreem religieus gedrag zoals het celibaat toch een evolutionaire functie hebben via de voordelen die het oplevert voor de directe familie van de persoon die het gedrag vertoont.

Status, risicogedrag en het ‘Young Male Syndrome’

Sociale competitie en het zoeken van sociale status komt ook veel voor in jongerengroepen en subculturen, vooral voor jongeren tijdens de adolescentie waarbij het ontwikkelen van een eigen identiteit erg belangrijk is. Helaas kan dit ook aanleiding geven tot zelfdestructief gedrag en geweld. Voorbeelden hiervan zijn risicogedragingen (bv., overvallen plegen of drugs nemen) of ontgroeningsrituelen (bv., extreme dooprituelen bij studentenverenigingen). Bij jongens in de adolescentie heeft deze piek in risicogedrag tijdens de adolescentie zelfs een aparte term gekregen: Het Young Male Syndrome. Vooral tijdens de leeftijd van 15-35 jaar vertonen mannen sterk verhoogd risicogedrag zoals geweld, stunts, drugsgebruik en gokken (4). Opnieuw heeft dit gedrag de functie om een sociale status te communiceren binnen een groep of om status te verkrijgen. Het nemen van veel risico brengt status met zich mee omdat dit de fysieke gezondheid en/of de ‘durf’ van het individu aantoont. Maar deze onderlinge competitie kan aanleiding geven tot steeds gevaarlijkere situaties. Vooral bij jonge mannen zonder kinderen is het evolutionair belangrijk om status te krijgen om een partner te vinden. Het is dan ook niet verrassend dat vooral deze groep een sterk verhoogde prevalentie toont van risicogedrag.  

Sociale bekrachtiging en mentale stoornissen

Gezien de sterke invloed van sociale bekrachtigingen op het gedrag van mensen is het niet verbazend dat deze ook een grote rol kunnen spelen bij mentale stoornissen. Eén voorbeeld van een groep stoornissen waarbij sociale bekrachtiging een grote rol speelt zijn eetstoornissen. Zo kunnen extreem slanke vrouwen in reclames en op sociale media jonge vrouwen aanmoedigen om extreme diëten te volgen (6). Ook moeten in eetstoornisklinieken soms jonge patiëntes uit elkaar worden gehaald omdat ze elkaar aanmoedigen om nog meer en extremer te diëten, wat kan leiden tot ernstige ondervoeding en de daaraan gekoppelde gezondheidsproblemen (waaronder orgaanfalen). Anderzijds kunnen sociale beloningen ook ‘bigorexia’ (of ook spierdysmorfie of bigorexia nervosa genoemd) aanmoedigen, waarbij typisch (jonge) mannen overtuigd raken dat ze onvoldoende spiermassa hebben en dit proberen te bekomen met compulsief fitnessen en anabole steroïden (6).

Een andere extreme mentale stoornis waar sociale bekrachtiging een rol lijkt te spelen is zelfmoord. Vaak worden in zelfmoordstatistieken kleine stijgingen waargenomen in het aantal zelfmoorden na de zelfmoord van een beroemd persoon zoals Robin Williams en Tim Bergling (7). Er lijkt dus een effect te zijn van sociale beïnvloeding bij sommige zelfmoorden. Wellicht motiveren de vele uitingen van sympathie over de beroemdheid in de media het gedrag bij personen die al nadenken over zelfmoord.

Tenslotte worden sommige verslavingen sterk aangemoedigd door sociale bekrachtigingen. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is sociale media verslaving, waarbij sommige personen erg veel tijd gaan investeren in het maken van foto’s voor Instagram of het opstellen van Tweets voor het krijgen van ‘likes’ op sociale media. Maar ook bij verslavingen aan middelen lijken sociale bekrachtigingen een rol te spelen. Zo ontwikkelen drugs- en alcoholverslaving zich vaak initieel binnen jongerengroepen waarin het aanvaard en aangemoedigd wordt om drugs of alcohol te gebruiken (8).

Conclusie: Hoe sociale bekrachtiging schadelijk gedrag kan motiveren

Het gedrag van mensen als groepsdieren wordt sterk beïnvloedt door sociale bekrachtiging en status signaling. Dit kan soms aanleiding tot evolutionair moeilijk te verklaren gedragingen zoals het celibaat, risicogedrag, overconsumptie, eetstoornissen, verslavingen en zelfs zelfmoorden. Echter dragen deze gedragingen bij aan het verkrijgen van sociale status en daardoor indirect aan evolutionaire ‘fitness’. Het is nuttig voor individuen en samenlevingen om op de hoogte te zijn van hoe sterk sociale bekrachtiging en het zoeken naar status van invloed kunnen zijn op menselijk gedrag. Zo kunnen we sociale status toekennen aan gedragingen die een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij (bv., wetenschappelijk onderzoek of vrijwilligerswerk) en gedrag dat schadelijk is voor de samenleving, individuen of de natuur sterk afkeuren (bv., trofee-hunting, onrealistische schoonheidsidealen verheerlijken of overvloedige luxe consumptie).

Referenties

1.          Tibbetts EA, Pardo-Sanchez J, Weise C. The establishment and maintenance of dominance hierarchies. Philos Trans R Soc B Biol Sci [Internet]. 2022 Feb 28;377(1845). Available from: https://royalsocietypublishing.org/doi/10.1098/rstb.2020.0450

2.          Wright E, Grawunder S, Ndayishimiye E, Galbany J, McFarlin SC, Stoinski TS, et al. Chest beats as an honest signal of body size in male mountain gorillas (Gorilla beringei beringei). Sci Rep [Internet]. 2021 Apr 8;11(1):6879. Available from: https://www.nature.com/articles/s41598-021-86261-8

3.          Micheletti AJC, Ge E, Zhou L, Chen Y, Zhang H, Du J, et al. Religious celibacy brings inclusive fitness benefits. Proc R Soc B Biol Sci [Internet]. 2022 Jun 29;289(1977). Available from: https://royalsocietypublishing.org/doi/10.1098/rspb.2022.0965

4.          Wilson M, Daly M. Competitiveness, risk taking, and violence: the young male syndrome. Ethol Sociobiol [Internet]. 1985 Jan;6(1):59–73. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/016230958590041X

5.          Farsang P, Kocsor F. The Young Male Syndrome Revisited – Homicide Data from Hungarian and Australian Populations. Hum Ethol Bull [Internet]. 2016 Jun 30;31(2):17–29. Available from: http://ishe.org/2016-2/vol-312/the-young-male-syndrome-revisited-homicide-data-from-hungarian-and-australian-populations/

6.          Rantala MJ, Luoto S, Krama T, Krams I. Eating Disorders: An Evolutionary Psychoneuroimmunological Approach. Front Psychol [Internet]. 2019 Oct 29;10. Available from: https://www.frontiersin.org/article/10.3389/fpsyg.2019.02200/full

7.          Niederkrotenthaler T, Braun M, Pirkis J, Till B, Stack S, Sinyor M, et al. Association between suicide reporting in the media and suicide: systematic review and meta-analysis. BMJ [Internet]. 2020 Mar 18;m575. Available from: https://www.bmj.com/lookup/doi/10.1136/bmj.m575

8.          Read JP, Wood MD, Kahler CW, Maddock JE, Palfai TP. Examining the role of drinking motives in college student alcohol use and problems. Psychol Addict Behav [Internet]. 2003 Mar;17(1):13–23. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0893-164X.17.1.13

Blog 8 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en trauma

Post-traumatische stressstoornis (PTSS) is één van de weinige psychologische stoornissen waarbij de directe oorzaak van de symptomen onderdeel uitmaakt van de diagnose. Volgens criterium A in de DSM-5 moet er sprake zijn van “blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld” om PTSS te kunnen vaststellen. Dit verschilt van bijvoorbeeld depressie, waarbij de aanleiding van de depressie (bv., een ontslag) geen onderdeel is van de diagnose. Van PTSS kan dus verwacht worden dat deze stoornis sterk omgeving gestuurd is, in tegenstelling tot andere diagnoses waar genetisch kwetsbaarheid een grotere rol lijkt te spelen. Maar ook bij PTSS zijn genetische kwetsbaarheid en evolutionair aangepaste responsepatronen belangrijk om deze stoornis goed te kunnen begrijpen. Deze ideeën worden verder uitgewerkt in dit blog.

Trauma als het resultaat van een extreme omgeving

Doorheen de voorgaande blogposts hebben we gezien hoe evolutionaire neigingen (bv., tot angst, depressie of animistisch denken) aanleiding kunnen geven tot bepaalde stoornissen (bv., angststoornissen, depressie of schizofrenie), zeker wanneer deze neiging niet goed matcht met de omgeving (bv., wanneer er geen direct bedreigingen, zoals gevaarlijke spinnen, zijn). Daarbuiten had de omgeving in de eerdere blogposts veelal enkel een kleine rol voor het motiveren van het gedrag en kwam het gedrag meer vanuit de persoon (of specifieker: zijn/haar genen) zelf. Een uitzondering op dit verhaal zijn traumatische stoornissen, zoals post-traumatische stress stoornis, waarbij intense traumatische ervaringen met de omgeving een grote rol spelen in het verklaren van de klachten die mensen ervaren.

Bij traumatische stoornissen zoals post-traumatische stress stoornis (PTSS) is er sprake van een direct confrontatie met een traumatische gebeurtenis gerelateerd aan dood, ernstige verwonding of seksueel geweld. Deze traumatische ervaring kan resulteren in herbelevingssymptomen zoals flashbacks of nachtmerries, vermijding van bepaalde herinneringen of plekken verbonden aan het trauma, negatieve veranderingen in gemoed (bv., zelfbeschuldiging) en verhoogde stressreacties (bv., continu geïrriteerd voelen). Dit patroon van symptomen van PTSS kan lang aanhouden en een enorme impact hebben op het dagelijkse leven, zoals bijvoorbeeld het missen van werk doordat het openbaar vervoer wordt vermeden na een traumatische ervaring in een bus of geen relaties kunnen aangaan na slechte eerdere ervaringen.

Bij PTSS en andere traumatische stoornissen is er sprake van een ‘extreme’ omgeving (bv., bedreiging met een mes) welke bij een groot deel van alle mensen (in plaats van alleen mensen met specifieke genen) tenminste voor een korte periode PTSS-achtige klachten kan opleveren. Bij de andere stoornissen die we tot nu toe hebben besproken is er veelal sprake van een ‘normale’ omgeving (bv., het zien van een huisspin of de mogelijkheid tot gokken) wat bij een minderheid van mensen leidt tot klachten (bv., het fietshok vermijden of een gokverslaving). Voor PTSS worden de klachten dus meer vanuit de omgeving veroorzaakt dan vanuit de genen, want een extreme traumatische ervaring resulteert bij veel mensen in aanhoudende stressklachten. Desondanks zijn er ook evolutionaire verklaringen waarom we dit specifieke patroon aan gedragingen vertonen in extreme stresssituaties.

De evolutionaire oorsprong van stressreacties

Wanneer mensen geconfronteerd worden met bedreigende of anderzijds stressvolle situaties lokt dit bij mensen stressreacties uit, zoals een verhoging van de spierspanning en een snellere hartslag (zie ook blog 1 over angst). Deze stressreacties worden vanuit de hersenen aangestuurd met behulp van allerlei neurotransmitters en hormonen, zoals adrenaline en cortisol. Deze reacties zijn evolutionair nuttig om effectief te kunnen omgaan met de dreiging (bv., mobiliseren van energie voor actie). Maar deze stressvolle staat van het lichaam is op lange duur belastend en na het verdwijnen van de dreiging is het belangrijk dat het lichaam zich terug begeeft naar een ‘stressloze’ staat. Wanneer de stressreacties niet verdwijnen kan dit aanleiding geven tot PTSS-achtige klachten.

Bij PTSS is er sprake van een extreme stresssituatie welke aanhoudende stressreacties veroorzaakt. De normale en evolutionair adaptieve stressreactie van mensen wordt langdurig uitgelokt door blootstelling aan een extreme situatie. Hierdoor zullen mensen met PTSS soms erg schrikken wanneer ze een plots geluid horen of onverwachts worden aangeraakt. Daarnaast kunnen bepaalde stimuli gelinkt aan de stresssituatie (bv., een specifieke locatie, geur of gedrag) de stressreacties telkens opnieuw triggeren. Deze aanhoudende stressreacties kunnen leiden tot allerlei andere problemen zoals moeite met slapen, concentreren, intimiteit of het niet meer kunnen uitvoeren van een baan.

Verder zijn herbelevingssymptomen zoals ‘flashbacks’ en nachtmerries ook prominent aanwezig bij PTSS. Deze symptomen kunnen evolutionair verklaard worden doordat mensen een sterke afkeer hebben voor extreem geweld en dreiging. Dit draagt evolutionair bij aan overleving en onze genen succesvol kunnen doorgeven aan een volgende generatie. Blootstelling aan een intense dreigende situatie is een (ongewenste) leerervaring die ervoor zorgt dat onze hersenen op zoek gaan naar verklaringen en manieren om deze extreme situaties te voorkomen in de toekomst. Bijvoorbeeld kan iemand die seksueel geweld heeft meegemaakt zich blijvend afvragen waarom hij of zij niet voldoende sterk heeft gereageerd of iemand te veel vertrouwd heeft. Merk op dat ‘bevriezen’ in dreigende situaties ook een evolutionair ontwikkelde reactie is waarover mensen geen controle hebben (zie blog 1). Vaak zijn traumatische gebeurtenissen zo plots en schokkend dat onze hersenen veel tijd nodig hebben om deze gebeurtenissen te kunnen plaatsen en begrijpen.

De behandeling van PTSS

Aanhoudende stressreacties en herbelevingssymptomen kunnen zoals vermeld vele andere psychosociale klachten opleveren zoals slapeloosheid, angst en depressie.  Daarom is het belangrijk om effectieve behandelingen te hebben voor PTSS. Eén behandeling die effectief is gebleken voor het behandelen van PTSS is ‘Eye-Movement Desensitization and Reprocessing’ (EMDR) therapie. Hierbij worden patiënten met PTSS gevraagd om de gevreesde gedachte aan de traumatische ervaring op te halen in hun geheugen terwijl zij tegelijkertijd met hun ogen laterale bewegingen maken gedurende een 30-tal seconden. Hierna wordt aan de patiënt gevraagd om de herinnering opnieuw op te halen en meer te vertellen over de gedachten en gevoelens gekoppeld aan dit beeld. Daarna worden de laterale oogbeweging herhaald tot wanneer de intensiteit van de herinnering voldoende is gezakt. Deze techniek werkt vaak goed om de intensiteit van de herinnering af te zwakken, wat ook leidt tot een verbetering van andere PTSS-symptomen.

Het werkingsmechanisme van EMDR therapie is wellicht dat het ophalen van een traumatische herinnering samen met het uitvoeren van oogbewegingen zorgt voor een onderlinge competitie voor de beperkte werkgeheugencapaciteit van de hersenen. Door deze competitie tussen het ophalen van de traumatische herinnering en het uitvoeren van de oogbewegingen wordt het mentale beeld van de traumatische herinnering afgezwakt, waardoor deze als minder levendig en emotioneel wordt ervaren (1,2). Daarnaast kan het ervaren van het verzwakte beeld van de herinnering mogelijks personen met PTSS het gevoel geven dat ze meer controle en minder stress ervaren over de herinnering. Uit vele verschillende studies komt naar voor dat EMDR een effectieve behandeling is voor PTSS klachten (3,4).

Een andere benadering om PTSS te behandelen is het gebruik van Virtual Reality (VR). Met behulp van VR kunnen mensen met PTSS op een gecontroleerde manier worden blootgesteld worden aan de stressvolle situatie (bv., een oorlogssituatie) waardoor hun klachten zijn ontstaan. Daarbij worden patiënten begeleid om de intense herinneringen en emoties gekoppeld met deze situatie opnieuw te beleven en deze te proberen verwerken onder begeleiding van een psycholoog. Ook dit kan helpen om de sterke stressreacties op traumatriggers af te proberen zwakken en vermijding van gerelateerde cues te verminderen (5). Het doel van deze therapie is om de impact van het trauma en de gerelateerde herinneringen op het leven patiënt te proberen verminderen.

Individuele verschillen in de gevoeligheid aan trauma

Desondanks dat hevige stressreacties voorkomen bij veel mensen in stressvolle situaties, ontwikkelt niet iedereen die een stressvolle situatie doormaakt PTSS. Zo komen ambulancemedewerkers of politieagenten erg vaak in stressvolle situaties terecht, maar krijgt slechts een (substantiële) minderheid van hen last van PTSS. Net zoals bij de andere stoornissen hebben sommige personen een sterkere neiging tot het hebben van extreme stressreacties dan andere personen. Het makkelijk activeren van het stresssysteem kan soms voordelig zijn wanneer de stressvolle omstandigheden waarmee iemand geconfronteerd wordt vrij mild en niet al te frequent zijn (bv., tijdig beginnen studeren voor een examen), maar kan nadelen opleveren wanneer iemand vaker met stressvolle situaties wordt geconfronteerd. Er is dan ook wellicht sprake van een zelfselectie effect wat betreft werken in stressvolle situaties: Agenten, verpleegkundigen en militair personeel hebben wellicht (gemiddeld gezien) een hogere sensatiezoekende persoonlijkheid en hebben een betere tolerantie voor potentieel traumatiserende gebeurtenissen. Ook bij een sterk ‘omgevingsgestuurde’ stoornis zoals PTSS speelt genetische kwetsbaarheid dus een belangrijke rol.

De uitbreidende definitie van ‘trauma’

Momenteel is directe of indirecte blootstelling aan de dood, ernstige verwonding of seksueel geweld een noodzakelijk criterium voor het diagnosticeren van PTSS in de DSM-5. Maar over dit criterium bestaat discussie. Sommige therapeuten en onderzoekers beargumenteren dat andere typen trauma, zoals pesten of een relatiebreuk, ook zouden moeten meetellen als mogelijke aanleiding voor de diagnose van PTSS. Sommige personen ervaren namelijk veel klachten na pesten of een relatiebreuk die grote overeenkomsten hebben met PTSS (bv., ‘flashbacks’). Zij hebben hierdoor ook wellicht baat van behandelingen die nuttig zijn voor PTSS, zoals EMDR en blootstellingstherapie. Desondanks kunnen hun klachten niet officieel gediagnosticeerd worden als PTSS omdat er geen sprake is van blootstelling is aan dood, ernstige verwonding of seksueel geweld.

Een uitgebreidere definitie van de stressoren die kunnen leiden tot PTSS is wellicht nuttig. Een nadeel hiervan is echter dat PTSS-symptomen door ernstige stressoren zoals zwaar geweld of verkrachting in eenzelfde categorie worden gestopt als PTSS-symptomen door mildere stressoren zoals pesten of een relatiebreuk. Dit zou kunnen opgelost worden door ook de ernst van het trauma en de PTSS-symptomen mee te nemen in de diagnostiek. Momenteel is er in de klinische praktijk al vaak sprake van een “complexe PTSS” diagnose, waarbij een patiënt hevige PTSS-symptomen ervaart door langdurige blootstelling aan meerdere trauma’s (vooral tijdens de kindertijd zoals kinderverwaarlozing, geweld en verkrachting) (6). Complexe PTSS is echter nog niet opgenomen als officiële diagnose in de DSM (maar wel in het alternatieve classificatiesysteem, de International Statistical Classification of Diseases).

Trauma en andere psychische stoornissen

Blootstelling aan trauma is gelinkt aan vele andere psychologische stoornissen naast PTSS, zoals depressie, angststoornissen, verslaving en persoonlijkheidsstoornissen. Tot wel 80% van alle mensen met een PTSS diagnose heeft ook een andere diagnosticeerbare psychische stoornis (7). Comorbiditeit is dus de regel eerder dan de uitzondering van PTSS en trauma. Waarschijnlijk is blootstelling aan trauma een belangrijke contribuerende factor voor het ontwikkelen van andere stoornissen, zoals pleinvrees of alcoholverslaving. Dit suggereert ook dat het behandelen van trauma’s met behulp van interventies zoals EMDR en VR therapie mogelijks behulpzaam kan zijn bij veel verschillende stoornissen zoals angststoornissen en depressie. Het is echter wel belangrijk om te onthouden dat trauma’s typisch niet de enige aanleiding zijn voor psychische stoornissen. Vaak is er (ook) sprake van genetische kwetsbaarheid en mildere stressoren (bv., werkstress) die aanleiding kunnen geven tot psychologische stoornissen zoals angststoornissen, verslaving of depressie, wat een andere aanpak vereist dan (enkel) traumagerichte therapie. Daarom is het aan te raden om als behandelaar goed zicht te krijgen op de oorzaak van de klachten en de therapie hierop af te stemmen (bv., trauma-gerichte therapie gebruiken wanneer er daadwerkelijk sprake is van trauma en andere behandelopties indien dit niet het geval is; zie ook de vorige blogposts en blog 10).

Conclusie: PTSS als een extreme stressreactie op een uitzonderlijke situatie

In tegenstelling tot de eerdere stoornissen die zijn besproken in dit boek (o.a., angststoornissen en depressie) wordt PTSS sterk aangestuurd vanuit de omgeving: Een hevige stressor zorgt voor aanhoudende stressreacties. Wanneer de stressor sterk genoeg is (bv., oorlogssituaties) zorgt dit voor PTSS-achtige klachten bij nagenoeg iedereen (bv., zelfs bij special forces soldaten, die niet bepaald een neiging hebben om angstig te zijn). Deze stressreacties hebben een evolutionair nut om ons voor te bereiden op het omgaan met de stressor en deze in de toekomst te proberen vermijden. Maar bij extreme stresssituaties kan dit zorgen voor langdurige stressklachten. Onze hersenen lijken continu op zoek te gaan naar verklaringen en oorzaken van de stressvolle situaties, wat kan aanleiding geven tot aanhoudende herbelevingssymptomen zoals flashbacks en nachtmerries. Deze stress- en herbelevingsreacties kunnen langdurig blijven aanhouden, wat kan resulteren in allerlei andere mentale en sociale problemen zoals slaapstoornissen of relatieproblemen. Verschillende therapieën zoals blootstellingstherapie en EMDR kunnen helpen om dit patroon van aanhoudende stressreacties te doorbreken.

Referenties

1.          van den Hout MA, Engelhard IM. How does EMDR work? J Exp Psychopathol [Internet]. 2012 Jan 23;3(5):jep.028212. Available from: http://jep.textrum.com/index.php?art_id=113

2.          Gunter RW, Bodner GE. How eye movements affect unpleasant memories: Support for a working-memory account. Behav Res Ther [Internet]. 2008 Aug;46(8):913–31. Available from: http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0005796708000880

3.          Davidson PR, Parker KCH. Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR): A Meta-Analysis. Consult Clin Psychol. 2001;69(2):305–16.

4.          Cuijpers P, Veen SC van, Sijbrandij M, Yoder W, Cristea IA. Eye movement desensitization and reprocessing for mental health problems: a systematic review and meta-analysis. Cogn Behav Ther [Internet]. 2020 Feb 11;00(00):1–16. Available from: https://doi.org/10.1080/16506073.2019.1703801

5.          Kothgassner OD, Goreis A, Kafka JX, Van Eickels RL, Plener PL, Felnhofer A. Virtual reality exposure therapy for posttraumatic stress disorder (PTSD): a meta-analysis. Eur J Psychotraumatol [Internet]. 2019 Dec 31;10(1). Available from: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/20008198.2019.1654782

6.          Herman JL. Complex PTSD: A syndrome in survivors of prolonged and repeated trauma. J Trauma Stress [Internet]. 1992 Jul 19;5(3):377–91. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/jts.2490050305

7.          Fox R, Hyland P, McHugh Power J, Coogan AN. Patterns of comorbidity associated with ICD-11 PTSD among older adults in the United States. Psychiatry Res [Internet]. 2020 Aug;290:113171. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0165178120304492

Blog 7 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en schizofrenie

Schizofrenie is een ernstige psychologische stoornis waarbij iemand veel last kan ervaren van psychoses, wanen en hallucinaties. De diagnose van schizofrenie is gelinkt aan een lagere levensverwachting van tot wel 15 jaar. Desondanks deze sterke nadelige effecten van schizofrenie zijn sommige symptomen mogelijks gelinkt aan adaptieve eigenschappen. Vanuit evolutionair psychologisch perspectief kunnen de symptomen van schizofrenie gerelateerd aan (een te sterke uiting van) de capaciteit tot divergent en/of animistisch denken. Deze ideeën worden verder uitgewerkt in deze blog.

Mentale tools van mensen om succesvol te navigeren in een complexe omgeving

Succesvol overleven vereist een goede mentale voorstelling kunnen maken van de wereld en wat er in de toekomst gebeurt. Dit is een hele nuttige vaardigheid omdat we op deze manier kunnen voorbereiden op wat er kan gebeuren. Voorbeelden hiervan zijn wegblijven uit bepaalde gebieden met veel mogelijke roofdieren, de intenties van andere personen begrijpen (bv., vriendschappelijk of vijandig), voorspellen van locaties waar er veel voedsel te vinden zou kunnen zijn (bv., overstromingsgebieden van rivieren) en de interesses van een mogelijke partner achterhalen. Wanneer we een accurate voorstelling kunnen maken van de wereld en hoe andere mensen om ons heen denken dan kunnen we beter reageren op onze omgeving en deze beter beïnvloeden.

Het begrijpen van anderen en de wereld is echter ook een hele uitdagende opgave. Er is erg veel informatie beschikbaar, waaronder duizenden eigen ervaringen, ervaringen van anderen, formele scholing, informatie uit boeken, handleidingen en video’s, sociale observaties en non-verbaal cues. Daarnaast kan informatie uit de verschillen bronnen ook tegenstrijdig zijn (bv., tegengestelde informatie uit verbaal en non-verbaal gedrag). Om uit deze enorme stroom van informatie enige nuttige kennis te kunnen halen moeten mensen extreem goed zijn in het herkennen van patronen. We hebben namelijk geen supercomputer in onze hersenen die snel duizenden statistische gegevens kan verwerken. Daarom hebben onze hersenen doorheen de evolutie verschillende intuïties meegekregen over hoe de wereld in elkaar zit en hoe anderen zich gedragen. We weten bijvoorbeeld intuïtief dat een bewegend voorwerp dat wordt onttrokken aan het oog (bv., een auto die achter een vrachtwagen rijdt) wellicht dezelfde richting aanhoudt en weer verschijnt aan de andere kant, en dat iemand met gebalde vuisten mogelijke agressieve intenties heeft. In statistische termen kunnen deze intuïties ook “priors” worden genoemd, waarbij bestaande voorkennis of intuïtie (bv., bewegende voorwerpen volgen een continu traject) richting geeft aan binnenkomende informatie (bv., een auto verdwijnt achter een vrachtwagen, maar verschijnt wellicht enkele seconden later aan de andere kant). Maar deze complexe eigenschap van menselijke intuïtie kan in sommige gevallen haperen of net te sterk werken, wat kan leiden tot schizofrenie-achtige klachten.

De heterogeniteit van schizofrenie

Schizofrenie is een chronische en ernstige psychologische aandoening waarbij er veranderingen zijn op cognitief, sociaal en emotioneel gebied. De meest opvallende symptomen bij schizofrenie zijn de zogenaamde ‘positieve symptomen’. Dit verwijst naar symptomen en gedragingen die bovenop normaal gedrag komen zoals hallucinaties (bv., stemmen horen), wanen (bv., achtervolgingswaan of grootheidswaan), gedesorganiseerde spraak (bv., onlogische zinnen) en catatonisch gedrag (bv., onrustig repetitief gedrag of vreemde lichaamsposities lang aanhouden). Maar naast deze positieve symptomen kan er ook sprake zijn van cognitieve problemen (bv., problemen met planning) en negatieve symptomen, waarbij er sprake is van het ontbreken van bepaalde gedrag (bv., afvlakking van affect of sterk verminderd spreken).

Voor de diagnose van schizofrenie moeten minstens één van de volgende drie positieve symptomen subtiel aanwezig zijn gedurende 6 maanden (waarvan minstens 1 maand uitgesproken): hallucinaties, wanen of gedesorganiseerde spraak. Hierbuiten kan echter het klinische profiel van patiënten met schizofrenie enorm verschillend zijn. Sommige patiënten kunnen heel veel last hebben van wanen of hallucinaties, terwijl andere patiënten vooral last ervaren van affectieve afvlakking zoals het nauwelijks kunnen ervaren van emoties. Daarnaast kan het patroon van de symptomen enorm variëren, waarbij sommige patiënten continu last hebben van een klein aantal symptomen, terwijl bij andere patiënten last hebben van hevige episodes met intense symptomen, afgewisseld met periodes met nauwelijks symptomen. Er wordt geschat dat schizofrenie voorkomt bij 0.3 tot 0.7% van de bevolking (1). De levensverwachting van personen van schizofrenie ligt ruim 15 jaar lager dan bij de algemene bevolking omwille van de gelinkte sociale en lichamelijke problemen (2,3).

Evolutionaire verklaringen voor de positieve symptomen van schizofrenie

Omdat schizofrenie zo een hevige en chronische aandoening is en samengaat met een sterk verlaagde levensverwachting, is het niet helemaal duidelijk waarom deze ziekte redelijk vaak voorkomt. Als deze aandoening enkel leidt tot sociale en lichamelijke problemen zou worden verwacht dat de genen gelinkt aan deze aandoening langzaamaan zouden zijn verdwenen doorheen de menselijke evolutie. Daarom wordt er aangenomen dat er bepaalde evolutionaire voordelen zijn verbonden aan de genen gelinkt met schizofrenie. Daarnaast spelen er wellicht meerdere genen mee bij het ontstaan van schizofrenie, wat in mildere combinaties voordelen kan opleveren, maar in extremere combinaties kan leiden tot problemen.

Een mogelijk idee is dat de divergente denkpatronen bij mensen met schizofrenie sociale voordelen kan opleveren. Creatieve en unieke ideeën worden in veel verschillende samenlevingen gewaardeerd. Een bekend voorbeeld van iemand met een mogelijke diagnose van schizofrenie was Vincent van Gogh (hoewel hij nooit officieel deze diagnose heeft gekregen). Vincent van Gogh had doorheen zijn leven last van psychoses en auditieve hallucinaties, wat hem mogelijks motiveerde om zijn oor af te snijden (als ‘zelfstraf’ voor de hallucinaties). Daarnaast had hij last van vele andere problemen zoals depressieve episodes, slapeloosheid en epileptische aanvallen. Ondanks deze aanhoudende gezondheidsproblemen wordt Vincent van Gogh momenteel geroemd om zijn unieke visie en kunst, wat mogelijk gelinkt was aan zijn neiging tot schizofrenie. Een jongere zus van Vincent van Gogh werd later in haar leven wél gediagnosticeerd met schizofrenie, wat een verdere aanwijzing is voor een mogelijke genetische kwetsbaarheid voor schizofrenie in de familie van Vincent van Gogh (4).

Een andere evolutionaire verklaring voor schizofrenie is de neiging van mensen om animistisch te denken. Animisme verwijst naar het toekennen van menselijke eigenschappen aan voorwerpen en natuurfenomenen. Bijvoorbeeld werd in de Griekse mythologie het voorkomen van bliksem toegeschreven aan de god Zeus die bliksemschichten wierp naar vijanden. Animistische denken helpt mensen om gedrag van andere personen en dieren te begrijpen en voorspellen, aangezien voor een groot deel hun gedrag wordt aangedreven door gelijkaardige motivaties als ons eigen gedrag (bv., honger, angst of woede). Daarentegen helpt animistisch denken niet bij het begrijpen van natuurfenomenen zoals bliksem, waarbij wetenschappelijke theorieën over elektrische ontlading veel nuttiger zijn om bliksem te verklaren en voorspellen. Mogelijk zijn er bij mensen die last hebben van schizofrenie bepaalde mutaties in de genen die gerelateerd zijn aan animistisch denken, waardoor deze eigenschap sterker is uitgesproken en zij vaker menselijk eigenschappen toekennen aan voorwerpen. Hierdoor ontwikkelen mensen met schizofrenie mogelijk sterker de neiging tot animistisch denken, zoals geloven dat de TV hen persoonlijk toespreekt of dat het stopcontact hen afluistert.

Daarnaast kunnen sommige schizofrene symptomen zoals waanideeën ook mogelijk gelinkt zijn aan een neiging tot sterke overtuigingen hebben. Dit kan bepaalde sociale voordelen opleveren, zoals het vrijwillig opofferen voor een groep (bv., in oorlogstijden) omwille van sterk geloof in een hemel of hiernamaals. Wanneer deze sociale voordelen zich ook vertalen in het hebben van meer kinderen, of sociale voordelen opleveren voor directe familieleden (bv., pensioenen voor kinderen van martelaars), dan kunnen de genen gelinkt aan het hebben van sterke overtuigingen toenemen in de populatie. Op deze manier kunnen de genen gelinkt aan het hebben van sterke overtuigingen blijven bestaan, en kunnen deze misschien in bepaalde combinaties aanleiding geven tot schizofrenie-achtige symptomen.

Evolutionaire verklaringen voor de negatieve symptomen van schizofrenie

Naast de positieve symptomen van schizofrenie (bv., waanideeën) vereisen ook de negatieve symptomen van schizofrenie, zoals emotionele afvlakking, verminderde motivatie en sociale terugtrekking, ook een evolutionaire verklaring. Mogelijks zijn deze symptomen deels het gevolg van sociale zelfbescherming: net zoals bij depressie gaan mensen met schizofrenie verminderde initiatieven en gedragingen vertonen om negatieve reacties vanuit hun sociale omgeving te verminderen. Daarnaast vereisen de positieve symptomen van schizofrenie mogelijks zoveel energie dat dit moet worden gecompenseerd met de negatieve symptomen. Vanuit deze verklaringen zijn de negatieve symptomen van schizofrenie mogelijks een direct of indirect neveneffect van de positieve symptomen.

De maatschappelijke inkleuring van schizofrene symptomen

Schizofrene symptomen komen en kwamen voor in verschillende culturen en tijdsperioden. Dit heeft een invloed op de symptomen die personen met schizofrenie ervaren. Bijvoorbeeld is een vaak voorkomende waan in Westerse landen, zeker op het hoogtepunt van de koude oorlog, dat mensen worden bespioneerd door de geheime dienst. Daarbij kunnen mensen met schizofrene symptomen de waan ontwikkelen dat het stopcontact hen afluistert of dat er naar hen boodschappen worden verstuurd via de TV. Tijdens de middeleeuwen en in andere landen werden en worden auditieve hallucinaties soms geïnterpreteerd als de stem van God, engelen of geesten. Momenteel geloven sommige mensen met schizofrene dat een specifieke beroemdheid verliefd op hen is. Dit is opnieuw sterk gekoppeld aan de tijdsperiode waarin iemand de klachten ontwikkeld. Bijvoorbeeld hadden mensen met schizofrenie 50 jaar geleden de waan dat Marlon Brando op hen verliefd was, terwijl dit nu Ryan Reynolds zou kunnen zijn. De interpretatie van wanen en hallucinaties wordt dus ingekleurd door de technologie en de maatschappelijke trends van de tijdsperiode waarin de persoon leeft.

De mythe van schizofrene patiënten als gevaarlijk en onvoorspelbaar

In films en boeken worden mensen met schizofrenie vaak voorgesteld als gevaarlijke en onvoorspelbare personen. Tijdens psychoses zouden ze gewelddadig gedrag tonen. Dit beeld komt echter niet overeen met de realiteit en beschikbare onderzoeken. Hoewel een minderheid van personen met schizofrenie een verhoogd risico heeft op gewelddadig gedrag, is het overgrote deel van mensen met schizofrenie niet gewelddadig. Daarnaast is er bij gewelddadig gedrag vaak tegelijkertijd ook sprake is van drugsmisbruik wat vaak de directere aanleiding is voor het gewelddadige gedrag dan de schizofrene symptomen.

Daarentegen lopen personen met schizofrenie zelf substantieel meer risico om slachtoffer te worden van geweld. In een meta-analyse van meerdere studies vonden de Vries en collega’s dat personen met een diagnose van schizofrenie een 4 tot 6 keer hoger risico hadden om slachteroffer te worden van geweld dan de algemene populatie (5). Daarnaast hebben patiënten met schizofrenie ook een sterk verhoogde kans om dakloos, geïnterneerd of verslaafd te worden. De perceptie dat mensen met schizofrenie gevaarlijk zouden zijn klopt dus niet helemaal. Daarentegen lopen zij vaak zelf wel een sterk verhoogd risico om slachtoffer te worden van geweld en sociale uitsluiting.

Conclusie: Schizofrenie als overactieve evolutionair aangepaste denkpatronen

Schizofrenie is een ernstige aandoening waarbij mensen intens last kunnen ervaren van symptomen zoals wanen, hallucinaties of gedesorganiseerd denken. Hoewel schizofrenie onwaarschijnlijk direct het resultaat is van evolutionaire aanpassing, zijn een aantal van de denkpatronen en klachten mogelijks wel deels het gevolg van de evolutionair ontwikkelde capaciteiten van de hersenen. Vanuit evolutionair oogpunt is schizofrenie mogelijks het resultaat van een sterkere neiging tot divergent of animistisch denken. In een beperkte mate kunnen deze denkpatronen evolutionaire voordelen opleveren (bv., gedrag van anderen voorspellen). Maar wanneer deze denkpatronen te sterk zijn uitgesproken, wellicht omwille van verschillende genetische mutaties, kan dit leiden tot ernstige denk- en gedragsproblemen die worden samengevoegd onder de noemer schizofrenie. Deze symptomen kunnen vervolgens ingekleurd worden door de specifieke culturele context en sociale omgeving waarin de persoon zich bevindt.

Referenties

1.          Saha S, Chant D, Welham J, McGrath J. A Systematic Review of the Prevalence of Schizophrenia. Hyman SE, editor. PLoS Med [Internet]. 2005 May 31;2(5):e141. Available from: https://dx.plos.org/10.1371/journal.pmed.0020141

2.          Hjorthøj C, Stürup AE, McGrath JJ, Nordentoft M. Years of potential life lost and life expectancy in schizophrenia: a systematic review and meta-analysis. The Lancet Psychiatry [Internet]. 2017 Apr;4(4):295–301. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S2215036617300780

3.          Laursen TM, Nordentoft M, Mortensen PB. Excess Early Mortality in Schizophrenia. Annu Rev Clin Psychol [Internet]. 2014 Mar 28;10(1):425–48. Available from: https://www.annualreviews.org/doi/10.1146/annurev-clinpsy-032813-153657

4.          Blumer D. The Illness of Vincent van Gogh. Am J Psychiatry [Internet]. 2002 Apr;159(4):519–26. Available from: http://ajp.psychiatryonline.org/doi/10.1176/appi.ajp.159.4.519

5.          de Vries B, van Busschbach JT, van der Stouwe ECD, Aleman A, van Dijk JJM, Lysaker PH, et al. Prevalence Rate and Risk Factors of Victimization in Adult Patients With a Psychotic Disorder: A Systematic Review and Meta-analysis. Schizophr Bull [Internet]. 2019 Jan 1;45(1):114–26. Available from: https://academic.oup.com/schizophreniabulletin/article/45/1/114/4935546

Blog 6 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en agressie en empathie

Een belangrijke uitdaging voor mensen is samenleven in groepen. Hierbij ontstaat er vaak een spanningsveld tussen wat goed is voor de groep en wat goed is voor het individu. Om hiermee om te gaan hebben mensen verschillend geëvolueerde strategieën ontwikkeld zoals agressie en empathie. Doorslaan in één van deze strategieën kan echter leiden tot een persoonlijkheidsstoornis zoals een antisociale persoonlijkheidsstoornis of afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. In deze blog post worden de evolutionaire uitdagingen voor mensen gelinkt aan samenleven in een groep verder geschetst en gelinkt aan persoonlijkheidsstoornissen.

Agressie en empathie

Mensen zijn empathische dieren. Empathie verwijst naar het herkennen van emoties bij anderen, wat kan bijdragen aan het oplossen van onderlinge conflicten en het leven in groepsverband. Dit is voor mensen erg belangrijk omdat we als sociale dieren afhankelijk zijn van het deel uitmaken van een groep voor bescherming, partners en het verdelen van taken (zie blog 2). Toch is het belangrijk om niet alleen maar deel te willen uitmaken van een groep, maar ook voor jouw eigen individuele belangen te kunnen opkomen. Voor het doorgeven van jouw genen aan een volgende generatie is het belangrijk om individueel over voldoende voedsel, een sterk sociaal netwerk en een goede partner te beschikken. Dit is ook het geval voor alle andere individuen in de groep. Hierdoor kunnen er conflicten ontstaan over de verdeling van goederen (bv., land, voedsel, water, werktuigen, enzovoort), sociale status of partners. Onder deze omstandigheden kunnen egoïstische en agressieve gedragingen nuttig zijn om jouw persoonlijke belangen te verdedigen. Met agressie wordt hier een heel spectrum aan gedragingen bedoeld, gaande van het assertief optreden tot fysieke agressie, om jouw belangen en die van jouw directe naasten (bv., kinderen) te verdedigen.

Voor individuen is er dus een balans nodig tussen empathie en agressie om goed te functioneren als individu en in groepsverband. Iemand die vaak agressie gebruikt als strategie om te krijgen wat hij of zij wil kan heel succesvol zijn. Zo zijn een heel aantal succesvolle zakenlieden agressief in hun ondernemingen om bijvoorbeeld werknemers maximaal te laten presteren of rivalen weg te concurreren. Wanneer echter iemand te agressief is kan dit leiden tot het uitgesloten worden uit de groep (bv., een gevangenisstraf omwille van fysiek geweld). Een te hoge mate van agressie kan dus problemen opleveren. Anderzijds kan hoge empathie helpen om een goede relatie te hebben met vele verschillende personen, wat veel voordelen geeft (bv., een groot netwerk van mensen om je te helpen wanneer het minder goed gaat). Maar te veel empathie kan resulteren in misbruik door anderen (bv., uitbuiting door anderen). Voor iedere persoon is er dus een optimale afweging nodig tussen agressie en empathie. Per persoon kan deze balans verschillend zijn omwille van natuurlijke variatie in andere eigenschappen (bv., fysieke kracht of sociale vaardigheden).

Een teveel aan agressie: Narcisme, Machiavellisme en psychopathie

Personen met een extreem hoog niveau van agressie en gebrek aan empathie kunnen worden gediagnosticeerd met een van de “duistere drie” persoonlijkheidstrekken, namelijk narcisme, Machiavellisme en psychopathie (1,2). Van deze drie is narcisme de vaakst voorkomende en de minst verstorende stoornis. Iemand met een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft een grote nood aan bewondering van anderen en een opgeblazen zelfbeeld, wat op allerlei manieren kan geuit worden (bv., eisen van bewondering door een partner, eigen belangen continu op de voorgrond plaatsen, geen verantwoordelijkheid kunnen nemen, etc.). Soms kan er ook sprake zijn van “kwetsbaar narcisme”, waarbij een persoon verwacht dat anderen inzien hoe uitzonderlijk uitdagend de omstandigheden voor hem of haar zijn en hiervoor bewondering opeist. Bij beide vormen van narcisme ligt er dus een sterke nadruk op de belangen van de narcistische persoon, waardoor een weinig ruimte overblijft voor de belangen van anderen of van de groep.

Bij Machiavellisme ligt de focus meer op macht en invloed in plaats van op bewondering en erkenning. Een persoon met een hoge mate van Machiavellisme zal al het nodige doen om macht en invloed te bekomen, en hierbij weinig of geen rekening houden met de belangen van anderen. In sommige omgevingen, zoals binnen politieke kringen of bij het maken van carrière, kan dit patroon van gedrag heel erg nuttig zijn. Maar in andere gevallen (of samengaand) kan er sprake zijn van uitbuiting van anderen (bv., roddels verspreiden over een collega die meedingt naar dezelfde promotie). Opnieuw is hier dus sprake van een hoge mate van agressie en eigenbelang, en een lage mate van empathie.

Tenslotte is psychopathie de meest extreme vorm van een teveel aan agressie en een gebrek aan empathie. Iemand met deze stoornis heeft heel weinig tot geen inlevingsvermogen over pijn bij anderen. Ook is er vaak een compleet gebrek aan moreel besef. Personen met deze persoonlijkheidsstoornis hebben geen problemen met liegen, intimideren of het gebruik van agressie om zijn of haar doelen te bereiken. Soms is er zelfs geen sprake van een ander doel, maar is het intimideren, kleineren of pijnigen van anderen het doel op zich voor psychopaten. Een vaak genoemde voorspeller van psychopathie op volwassen leeftijd is het martelen van dieren als kind.

Deze “duistere drie” persoonlijkheidsstoornissen komen in de algemene bevolking voor bij ongeveer 1% tot 5% van de bevolking (3–5). Daarentegen komen deze stoornissen vaker voor bij mensen in de gevangenis (i.e., tot wel 30%) en in hoge functies (o.a., CEO’s, hoge ambtenaren, mediapersoonlijkheden, enzovoort) (6–8). De duistere drie kunnen dus in sommige gevallen erg veel voordelen opleveren zoals een hoog inkomen of sociale status, maar kunnen ook grote nadelen opleveren zoals gevangenisstraffen en sociale uitsluiting.

De “duistere drie” persoonlijkheidsstoornissen als Evolutionaire Stabiele Strategieën

De agressieve persoonlijkheidsstoornissen staan in wisselwerking met empathie: narcisten, Machiavellinisten en psychopaten maken gebruik van de empathie van anderen doordat anderen ervan uitgaan dat iedereen net even sociaal en empathisch is zoals zijzelf. Dit is een nuttig uitgangspunt aangezien de meeste mensen te vertrouwen zijn en het veel nut heeft om samen te werken (bv., jij kan mijn auto lenen in ruil voor een oppasbeurt, wat voor iedereen voordelig is). Narcisten, Machiavellinisten en psychopaten maken misbruik van dit vertrouwen van anderen door bijvoorbeeld nooit iets wederkerig te doen, hen op te lichten of hen te intimideren (bv., geleend geld niet terugbetalen). Dit geeft hun een tijdelijk voordeel ten opzichte van mensen die wel empathisch en sociaal zijn door te profiteren van de voordelen van samenwerking en wederkerigheid, maar hier zelf niet in te investeren. In biologische termen wordt dit een parasitaire strategie genoemd (9). Dergelijke strategieën zijn echter enkel mogelijk zolang narcisten, Machiavellinisten en psychopaten een klein deel van de bevolking uitmaken (bv., 1%). Wanneer er echter meer narcisten, Machiavellinisten en psychopaten in een populatie komen zullen alle mensen meer sceptisch worden en zullen de parasitaire strategieën minder succesvol worden doordat de brede populatie minder bereid wordt om samen te werken (bv., geen geld meer willen uitlenen). Dit levert dan weer een nadeel op voor de parasitaire strategieën van narcisten, Machiavellinisten en psychopaten, welke rekent op de hoge bereidheid tot empathie en samenwerken van de rest van de bevolking. Hierdoor is er een maximaal aantal van narcisten, Machiavellinisten en psychopaten dat kan worden gedragen door een samenleving: wanneer hun aantal te groot wordt neemt het onderlinge vertrouwen binnen de bevolking en dus de effectiviteit van hun strategieën af, waardoor er na verloop van tijd het aantal personen met de “duistere drie” persoonlijkheidsstoornissen ook afneemt. Een dergelijke wisselwerking tussen de verhoudingen van parasitaire en ondersteunende groepen in een populatie wordt ook wel een ‘Evolutionaire Stabiele Strategie’ genoemd, omdat het succes van de parasitaire groep afhankelijk is van een bepaalde verhouding in een populatie.

Het aantal personen met narcisme, Machiavellisme of psychopathie dat door een populatie kan gedragen worden is afhankelijk is van een aantal parameters, zoals bijvoorbeeld geografische mobiliteit waardoor de “duistere drie” zich makkelijk naar andere groepen van mensen kunnen verplaatsen en zo langer hun parasitaire strategieën kunnen gebruiken. In moderne samenleving is er meer geografische mobiliteit, waardoor er mogelijk een hoger aantal mensen zijn die de “duistere drie” persoonlijkheidsstoornissen vertonen. Anderzijds zijn er in moderne maatschappijen ook efficiëntere systemen om informatie te delen en op te zoeken (bv., Google), wat het mogelijk maakt om onbetrouwbare personen en bedrijven te ontmaskeren en deze informatie met anderen te delen. Bijvoorbeeld maken online reviews het tegenwoordig makkelijk om online beoordelingen op te zoeken en op deze manier onbetrouwbare bedrijven te vermijden.

Een teveel aan empathie: Vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis

Naast het hebben van teveel agressie en weinig empathie, kan ook een teveel aan empathie leiden tot aanzienlijke interpersoonlijke problemen. Dit zien we terug in een stoornis zoals vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Bij deze persoonlijkheidsstoornis is iemand erg onzeker en angstig in relatie tot anderen. Ook is er vaak sprake van een minderwaardig gevoel en angst om iets verkeerds te zeggen. Als gevolg hiervan gaan mensen met deze stoornis persoonlijke relaties en sociale gelegenheden vermijden, waardoor ze zich geïsoleerd kunnen gaan voelen. Er is bij vermijdende persoonlijkheidsstoornis dus sprake van een extreme focus op de percepties en emoties van anderen, en een ondergeschikt belang van de eigen emoties en belangen.

Een andere stoornis die gerelateerd is aan extreme empathie en een gebrek aan agressie is afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Bij deze stoornis hebben mensen last van een lage eigenwaarde en een grote behoefte aan bevestiging en verzorging. Daarnaast hebben mensen met deze stoornis ook moeite met voor zichzelf opkomen en ‘nee’ zeggen tegen anderen. Dit kan hen een makkelijk slachtoffer maken voor geweld, uitbuiting of misbruik. Een ander vaak voorkomend gevolg van een hoge mate van empathie en conflictvermijding is burn-out. Daarom is het van belang om in therapie de eigenwaarde en assertiviteit te verbeteren van hoog empathische en afhankelijke personen, en hen te leren om nee te zeggen en anderen teleur te stellen.

Agressie en empathie in verschillende omgevingen

Bij zowel de “duistere drie” persoonlijkheidsstoornissen en vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis is er een spanningsveld tussen wat goed is voor het individu (vooral op de voorgrond bij de “duistere drie”) en wat er goed is voor de groep of anderen (vooral op de voorgrond bij vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis). Voor mensen als sociale dieren die afhankelijk zijn van een sociale groep is het van belang dat er een goede balans is tussen persoonlijke en collectieve belangen.

Wat de beste ‘strategie’ is (agressie of empathie) hangt samen met de omgeving waarin je jezelf bevindt. In een competitieve omgeving waarin belangen tegengesteld zijn aan elkaar, zoals bijvoorbeeld in een sterk hiërarchisch bedrijf, is het vaak beter om agressief en individualistisch te zijn. Als je dit niet bent zullen immers anderen hiervan profiteren, aangezien competitie en individuele belangen worden beloond (bv., de klanten van iemand anders overnemen). Anderzijds is het in omgevingen waarin samenwerking belangrijk is beter om meer empathisch en minder individualistisch te zijn. In zulke omgevingen worden typisch teams beloond in plaats van individuen en is samenwerking van belang. Zo moeten in sommige bedrijven teams een gezamenlijk product opleveren (bv., een nieuwe app) waarvoor zij als team worden beloond. Afhankelijk van het gewenste resultaat (individuele hoogvliegers of functionerende teams) kunnen bedrijven en organisaties de omgeving zo vormgeven dat egocentrisch gedrag (door individuen te belonen) of empathisch gedrag (door teams te belonen) meer wordt gestimuleerd. 

Agressie en empathie in verschillende gradaties

Ook bij agressie en empathie is, net zoals bij depressie en angst, individuele variatie van belang: sommige mensen zijn van nature meer empathisch of meer agressief. Bij extreme gevallen kan dit doorheen hun leven problemen opleveren, zoals bij de “duistere drie” persoonlijkheidsstoornissen of bij vermijdende of afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Bijvoorbeeld komen de “duistere drie” vaker in aanraking met het rechtssysteem omwille van te veel agressief gedag en worden mensen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis net vaker het slachtoffer van uitbuiting, oplichting of agressie. De meeste mensen vallen echter tussen deze twee extremen in.

Net zoals bij angst en depressie is aanleg voor een hoge mate van agressie of empathie niet hetzelfde als het eindresultaat. Op verschillende manieren kunnen agressieve of empathische neigingen worden bijgestuurd, zoals bijvoorbeeld met schematherapie waarbij mensen met persoonlijkheidsproblemen leren bepaalde problematische gedragspatronen te herkennen en deze te veranderen. Studies tonen inderdaad aan dat persoonlijkheidsproblematiek kan worden verbeterd met deze therapie (10). Enkel bij de “duistere drie” lijkt er vaak een gebrek te zijn aan zelfinzicht in persoonlijke gebreken, wat vaker problemen oplevert bij therapie en het veranderen van gedrag bemoeilijkt.

Conclusie: Empathie en agressie als evolutionaire strategieën

Succesvol overleven en genen doorgeven voor mensen houdt in dat we kunnen samenleven in een groep, maar tegelijkertijd ook kunnen opkomen voor eigen individuele belangen. Empathie en agressie zijn twee vaardigheden en strategieën die mensen helpen om dit spanningsveld te navigeren. Tussen mensen is er aanzienlijke variatie in het gebruik van deze strategieën en in extreme gevallen kan dit resulteren in wat een ‘persoonlijkheidsstoornis’ wordt genoemd, zoals narcisme, psychopathie of afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Evolutionaire psychologie helpt om deze gedragspatronen beter te begrijpen en om omgevingen te kunnen creëren die deze strategieën meer of minder aanmoedigen.

Referenties

1.         Paulhus DL, Williams KM. The Dark Triad of personality: Narcissism, Machiavellianism, and psychopathy. J Res Pers [Internet]. 2002 Dec;36(6):556–63. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0092656602005056

2.         Furnham A, Richards SC, Paulhus DL. The Dark Triad of Personality: A 10 Year Review. Soc Personal Psychol Compass [Internet]. 2013 Mar 5;7(3):199–216. Available from: https://compass.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/spc3.12018

3.         Neumann CS, Hare RD. Psychopathic traits in a large community sample: Links to violence, alcohol use, and intelligence. J Consult Clin Psychol [Internet]. 2008;76(5):893–9. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0022-006X.76.5.893

4.         Coid J, Yang M, Ullrich S, Roberts A, Hare RD. Prevalence and correlates of psychopathic traits in the household population of Great Britain. Int J Law Psychiatry [Internet]. 2009 Mar;32(2):65–73. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0160252709000028

5.         Sanz-García A, Gesteira C, Sanz J, García-Vera MP. Prevalence of Psychopathy in the General Adult Population: A Systematic Review and Meta-Analysis. Front Psychol [Internet]. 2021 Aug 5;12. Available from: https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyg.2021.661044/full

6.         Babiak P, Neumann CS, Hare RD. Corporate psychopathy: Talking the walk. Behav Sci Law [Internet]. 2010 Mar 6;28(2):174–93. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/bsl.925

7.         Guay J-P, Ruscio J, Knight RA, Hare RD. A taxometric analysis of the latent structure of psychopathy: Evidence for dimensionality. J Abnorm Psychol [Internet]. 2007 Nov;116(4):701–16. Available from: http://doi.apa.org/getdoi.cfm?doi=10.1037/0021-843X.116.4.701

8.         Fox B, DeLisi M. Psychopathic killers: A meta-analytic review of the psychopathy-homicide nexus. Aggress Violent Behav [Internet]. 2019 Jan;44:67–79. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S1359178918301678

9.         Jones DN. Predatory Personalities as Behavioral Mimics and Parasites. Perspect Psychol Sci [Internet]. 2014 Jul 16;9(4):445–51. Available from: https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/1745691614535936

10.       Jacob GA, Arntz A. Schema Therapy for Personality Disorders—A Review. Int J Cogn Ther [Internet]. 2013 Jun;6(2):171–85. Available from: http://guilfordjournals.com/doi/10.1521/ijct.2013.6.2.171

Blog 5 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en attention-deficit and hyperactivity disorder (ADHD)

De prevalentie van al ADHD is de afgelopen decennia sterk gestegen. Schattingen van het aantal kinderen in Nederland met een ADHD-diagnose liggen momenteel tussen 2 en 7% (1). Ook is het gebruik van medicatie voor ADHD (bv., ritalin en concerta) meer dan vervijfdubbeld tussen 2003 en 2023 (2). Deze medicalisering van ADHD is zorgelijk. Vanuit een evolutionair psychologisch perspectief zijn ADHD-symptomen vaak het gevolg van een omgeving-genen mismatch in plaats van een neurobiologisch probleem. Daarnaast is er evidentie dat ADHD-diagnoses niet altijd accuraat worden gesteld en worden beïnvloed door irrelevante factoren zoals de relatieve biologische leeftijd en het geslacht van kinderen. Een evolutionair psychologisch perspectief helpt om beter te begrijpen waar ADHD-symptomen vandaan komen.

De symptomen en gevolgen van ADHD in het kort

Bij ADHD is er sprake van een gebrek aan concentratie en rust. Ook kan er impulsief gedrag aanwezig zijn, zoals dingen zeggen of doen zonder na te denken. Deze symptomen kunnen allerlei problemen veroorzaken zoals slechtere schoolresultaten, conflicten in persoonlijke relaties of moeilijkheden om banen goed uit te voeren. Vaak (maar niet altijd) worden deze symptomen vastgesteld tijdens de kindertijd en blijven deze in meer of mindere mate aanwezig tijdens de volwassenheid. In deze blog wordt er vooral gefocust op ADHD-symptomen bij kinderen.

ADHD als het resultaat van een evolutionaire mismatch

Net zoals de stoornissen die eerder in deze blog zijn besproken kan ADHD gezien worden als een voorbeeld van een mismatch tussen evolutie en de moderne omgeving. Bijvoorbeeld zijn klaslokalen een evolutionair recent fenomeen. Leerplicht werd voor het eerst ingevoerd in Nederland in 1901 en in België in 1914. Dit houdt in dat ouders ervoor moeten zorgen dat kinderen zijn ingeschreven bij een school en hier ook naartoe gaan. Binnen Nederland en Vlaanderen zijn scholen verplicht om te voldoen aan een minimumaantal lesuren, wat wekelijks neerkomt op ongeveer 24 uur gestructureerde lessen voor kinderen. Naast deze lesuren krijgen kinderen vaak meerdere uren aan opdrachten mee naar huis (huiswerk). Dit grote aantal uren aan gestructureerd en zelfstandig werk kan uitdagend zijn voor heel wat kinderen. Daarnaast hebben veel kinderen ook nog heel wat gestructureerde buitenschools activiteiten zoals sport, bijlessen of muzieklessen. Kinderen kunnen moeite ervaren met het bijhouden van al deze gestructureerde activiteiten met onrustig en afgeleid gedrag tot gevolg. Dit gedrag wordt vervolgens soms gediagnosticeerd als ADHD.

De dagindeling van kinderen nu verschilt aanzienlijk hoe deze eruit zag gedurende onze evolutionaire geschiedenis. In duizenden voorgaande generaties hielpen kinderen volwassenen met dagelijkse activiteiten zoals voedsel zoeken, het land bewerken of helpen met andere klussen. Vanuit dit perspectief zijn de hersenen en gedragspatronen van kinderen niet goed aangepast aan de evolutionair recente en gestructureerde omgeving van een klaslokaal. In moderne omgevingen ontbreekt het kinderen vaak aan vrij spel, voldoende fysieke activiteit en interactie met oudere kinderen en volwassenen (3).

Methylfenidaat als antwoord op de evolutionaire mismatch tussen klaslokalen en kinderen

Kinderen die zijn gediagnosticeerd met ADHD worden vaak methylfenidaat voorgeschreven, wat wordt verkocht onder merknamen zoals ritalin en concerta. Methylfenidaat is een stimulerend middel wat kan helpen om de concentratie te verhogen en impulsief gedrag te verminderen. Het kan echter ook verschillende neveneffecten veroorzaken zoals nervositeit, prikkelbaarheid, slaapproblemen, hoofdpijn en lusteloosheid. Ook kan er een ‘rebound’-effect optreden, waarbij na uitwerking van het middel er sprake is van verhoogde hyperactiviteit en concentratievermindering.

Net zoals het gebruik van antidepressiva is, vanuit een evolutionair perspectief gezien, het gebruik van methylfenidaat opnieuw een voorbeeld van hoe een mismatch tussen de evolutionaire geschiedenis (o.a., veel beweging en afwisseling) en de huidige maatschappij en omgeving (o.a., 8 uur per dag stilzitten in een klaslokaal) wordt opgelost door het gebruik van psychiatrische labels en medicatie. Echter is de uitwerking hiervan gelijkaardig aan de uitwerking bij depressie: de symptomen van het mismatch-probleem worden wel onderdrukt met medicatie, maar het onderliggende probleem (o.a., gebrek aan beweging en stimulatie) wordt niet opgelost.

Het ‘jongste kind syndroom’

Aanvullende evidentie dat normaal gedrag van kinderen soms wordt weggezet als ADHD komt vanuit statistische analyses waarbij gekeken worden welke kinderen in een klas een ADHD-diagnose toegekend krijgen. Hierbij komt naar voor dat jongere kinderen in de klas (geboren in oktober, november of december) tot wel dubbel zo vaak een ADHD-diagnose krijgen en medicatie worden voorgeschreven dan oudere kinderen in de klas (geboren in januari, februari en maart) (4). Dit komt wellicht doordat het drukke en minder aandachtige gedrag van de jongere kinderen in een klas, die tot wel bijna een jaar jonger zijn dan hun oudere klasgenoten, vaker onterecht wordt geïnterpreteerd als ADHD door leerkrachten, ouders en artsen. Dit is overigens geen seizoensgebonden fenomeen: in landen waarbij het afkappunt om naar school te gaan op 1 september ligt (i.p.v., 1 januari in andere landen) blijft dit fenomeen overeind (waar dan kinderen die geboren zijn tijdens oktober en november net een lagere kans hebben om gediagnosticeerd te worden met ADHD omdat zij in deze landen net relatief ouder zijn dan de andere kinderen in de klas) (5). Dit ‘jongste kind syndroom’ toont dus dat de diagnose van ADHD niet helemaal betrouwbaar wordt gesteld, maar wordt beïnvloed door irrelevant factoren (o.a., de relatieve biologische leeftijd van het kind).

Genderverschillen in ADHD bij kinderen

Een andere opvallende statistiek rond ADHD bij kinderen is dat deze diagnose ongeveer tweemaal zo vaak vastgesteld bij jongens als bij meisjes (6). Vanuit een puur medisch perspectief is dit vreemd, omdat er geen duidelijke a priori reden is waarom deze ‘neurocognitieve stoornis’ vaker zou voorkomen bij jongens als bij meisjes. De hersenen van mannen en vrouwen verschillen tenslotte niet dusdanig van elkaar dat er een groot verschil wordt verwacht in de frequentie van neurocognitieve problemen (bv., problemen bij de ontwikkeling van de hersenen) die ADHD zouden kunnen verklaren. Opnieuw suggereert dit patroon van diagnoses dat normaal gedrag wordt weggezet als een psychiatrische stoornis. Jongens vertonen immers vaker onrustiger gedrag en minder concentratie dan meisjes, en dit heeft een evolutionaire verklaring.

Gemiddeld gezien is het spelgedrag van jongens vaker competitief en ruiger in vergelijking met dat van meisjes. Meisjes daarentegen vertonen (gemiddeld) vaker zorgend spelgedrag (bv., spelen met poppen of dieren). Wellicht heeft dit ruigere spelgedrag van jongens een evolutionaire oorsprong, aangezien hetzelfde patroon van gedragsverschillen wordt geobserveerd in verschillende landen en culturen, en zelfs bij andere diersoorten zoals bij chimpansees. Een mogelijke evolutionaire verklaring is dat jongens tijdens hun spelgedrag ‘oefenen’ voor typische uitdagingen voor volwassen mannen, zoals onderlinge competitie en meer direct geweld, wat ook wordt geobserveerd bij andere mensapen. Meisjes daarentegen ‘oefenen’ tijdens hun spelgedrag vaker zorggedrag, omdat zorgtaken voor kinderen vaker terecht komen bij vrouwen. Het is belangrijk om hier te benadrukken dat het hier gaat om gemiddelden en dat deze patronen niet noodzakelijk opgaan voor alle individuele jongens en meisjes. Maar gemiddeld gezien is er wel een duidelijk patroon merkbaar, wat niet mag genegeerd worden. Een gevolg hiervan is dat het gendertypische spelgedrag van jongens bovengemiddeld wellicht vaker als onrustig en verstorend wordt gezien en dat zij hierdoor vaker worden ge(mis)diagnosticeerd met ADHD en medicatie worden voorgeschreven.

Vervrouwelijking van het onderwijs en ADHD

Een maatschappelijke trend welke mogelijk bijdraagt aan dat het gedrag van jongens als storend wordt ervaren in de klaslokalen is de snelle vervrouwelijking van het onderwijs. Momenteel is ruim 80% van de leerkrachten in het basisonderwijs in België en Nederland vrouw. Gelijkaardige trends van een gestage toename van vrouwelijke docenten doen zich voor in het middelbare en het hoger onderwijs. Door deze genderonbalans bij het lerarencorps is er mogelijk minder ruimte voor het genderspecifieke (spel)gedrag van jongens, wat zorgt voor een nog sterkere evolutionaire mismatch voor het gedrag van jongens en de omgeving waarin zij zich bevinden. Een betere balans in het lerarencorps zou ervoor kunnen zorgen dat het gedrag van jongens meer ruimte krijgt en minder als storend wordt ervaren.

Andere evolutionair psychologische verklaringen voor ADHD

Doorheen de jaren zijn er veel verschillende evolutionair psychologische verklaringen voorgesteld voor het voorkomen van ADHD. Deze houden onder andere in dat ADHD-symptomen behulpzaam kunnen zijn binnen snel veranderende omgevingen, complementair kunnen zijn aan de denkpatronen van mensen zonder ADHD, gerelateerd zijn aan een avond-chronotype of kunnen helpen bij multitasking (7,8). Het bespreken van al deze mogelijke evolutionair psychologische verklaringen voor ADHD past niet binnen een enkele blog, maar ze tonen allen aan dat binnen bepaalde omgevingen ADHD-symptomen net een adaptieve functie kunnen hebben en dus niet altijd moeten worden gezien als een stoornis.

Conclusie: ADHD en evolutionaire mismatch

Net zoals bij de andere stoornissen die werden besproken in voorgaande blogposts (angststoornissen, depressie en verslavingen) is er ook bij ADHD sprake van een evolutionaire mismatch met de omgeving: Het gedrag van kinderen over duizenden generaties is niet goed aangepast aan de statische en vaak weinig stimulerende leeromgeving in scholen. Deze mismatch bij de kinderen met het meest onrustige gedrag (vooral relatief jongere kinderen en jongens) wordt opgelost met behulp psychiatrische diagnoses en medicatie, hoewel dit het onderliggende probleem van een evolutionaire mismatch niet oplost. De onevenredige diagnose van jongere kinderen en jongens met ADHD toont aan dat normaal gedrag soms wordt weggezet als een stoornis. Een evolutionair perspectief helpt om de snelle toename in de diagnose van ADHD beter te begrijpen en kan inspiratie bieden om scholen en klaslokalen vorm te geven op een manier die beter past bij onze evolutionaire geschiedenis, zoals door meer mogelijkheden te geven voor fysieke activiteit en te zorgen voor een evenwichtige verdeling van vrouwelijke en mannelijke leerkrachten.

Referenties

1.          Nederlands Jeugdinstituut. Cijfers over ADHD [Internet]. 2024. Available from: https://www.nji.nl/cijfers/adhd

2.          Zorginstituut Nederland. Het aantal gebruikers van ADHD-middelen, 2003 – 2023 [Internet]. 2024. Available from: https://www.gipdatabank.nl/databank?infotype=g&label=00-totaal&tabel_g_00-totaal=R_85_adh&geg=gebr&spec=&item=bijlage

3.          Panksepp J. Can PLAY Diminish ADHD and Facilitate the Construction of the Social Brain? J Can Acad Child Adolesc Psychiatry. 2007;16(2):57–66.

4.          Krabbe EE, Thoutenhoofd ED, Conradi M, Pijl SJ, Batstra L. Birth month as predictor of ADHD medication use in Dutch school classes. Eur J Spec Needs Educ [Internet]. 2014 Oct 2;29(4):571–8. Available from: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/08856257.2014.943564

5.          Gosling CJ, Caparos S, Pinabiaux C, Schwarzer G, Rücker G, Agha SS, et al. Association between relative age at school and persistence of ADHD in prospective studies: an individual participant data meta-analysis. The Lancet Psychiatry [Internet]. 2023 Dec;10(12):922–33. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S2215036623002729

6.          Center for Disease Control and Prevention. Data and Statistics on ADHD [Internet]. 2024. Available from: https://www.cdc.gov/adhd/data/index.html

7.          Garson J. Did ADHD Evolve to Help Us? Psychology Today [Internet]. 2022; Available from: https://www.psychologytoday.com/intl/blog/the-biology-of-human-nature/202211/did-adhd-evolve-to-help-us

8.          Swanepoel A, Music G, Launer J, Reiss MJ. How evolutionary thinking can help us to understand ADHD. BJPsych Adv [Internet]. 2017 Nov 2;23(6):410–8. Available from: https://www.cambridge.org/core/product/identifier/S2056467800003054/type/journal_article

Blog 4 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en verslavingen

Om als mensen succesvol te overleven en onze genen door te geven moeten we niet enkel met gevaren omgaan (blog 1) en samenleven in een groep (blog 2), maar moeten we ook voldoen aan een breder aantal (basis)behoeftes zoals voedsel, water, goede huizing, vrije tijd, sociale status en seks. Onze hersenen worden gemotiveerd om aan deze behoeftes te voldoen door een toename van dopamine in specifieke hersengebieden, wat resulteert in een kortstondig fijn gevoel. Maar dit kan ook aanleiding geven tot verslavingen, waarvan bedrijven graag gebruik van maken om geld te verdienen. In deze blog diep ik verder uit hoe onze evolutionaire behoeftes kunnen leiden tot verslavingen, zeker in consumptiemaatschappijen waar vele verleidingen zoals fastfood, TV series, gamen, online shopping, kansspelen of internetporno overvloedig aanwezig zijn.

Basisbehoeften, dopamine en overconsumptie

Tijdens de evolutie van de mens was er vaak sprake van schaarste aan voedsel en water. Ons lichaam heeft zich daardoor aangepast om overtollige calorieën op te slaan in de vorm van vet en om water te besparen in tijden van gebrek, bijvoorbeeld door minder te zweten en speeksel te produceren. Dit geldt ook voor andere essentiële zaken, zoals basismaterialen (kleding, gereedschap, kookgerei) en luxegoederen (zoals juwelen), evenals voor seks en sociale middelen (waaronder vrienden, netwerken en status). Omdat deze zaken vaak schaars waren en nog steeds zijn is het evolutionair voordelig om aan deze behoeften te voldoen. Onze hersenen zijn daarom geëvolueerd om motivatie te creëren om in onze (basis)behoeften te voorzien: we krijgen een kleine dopamineboost wanneer we eten, drinken, sociale bevestiging krijgen, seks hebben of leuke dingen aanschaffen, wat leidt tot een kortstondig gevoel van geluk.

In moderne samenlevingen komen markten en fabrikanten van goederen momenteel ruimschoots tegemoet aan sommige van deze evolutionaire behoeftes zoals bijvoorbeeld via de productie van voedsel, medicatie en kleding. Maar soms gebeurt dit op een extreme manier wat negatieve gevolgen kan veroorzaken. Zo verkopen fastfoodketens calorierijk voedsel met veel verzadigde vetten, suikers en zout waarvoor mensen een sterke voorkeur hebben, met een obesitasepidemie tot gevolg. Op een vergelijkbare manier komen producenten van pornofilms tegemoet aan een menselijke behoefte aan seks op een extreme manier die vaak weinig overeenkomsten met alledaagse seks en creëren sociale mediawebsites een vals gevoel van sociaal contact met ‘likes’ en ‘volgers’. Op deze manier worden onze evolutionaire voorkeuren en behoeften elke dag verleid met vaak extreme surrogaten (bv., fastfood, porno of ‘likes’ op sociale media), wat voor sommige mensen resulteert in een verslaving.

Bij het voldoen van onze (basis)behoeftes is er dus wederom sprake van een mismatch tussen genetisch geselecteerde voorkeuren voor zaken zoals calorierijk voedsel, seks en sociale validatie en de omgeving waarin deze zaken momenteel overvloedig beschikbaar zijn (fastfood, porno) of gebruikt worden door bedrijven (likes via sociale media). Deze mismatch levert op zijn beurt problemen op zoals obesitas, porno-verslaving en sociale-media verslaving. Dit verschil in onze historische omgeving waarin we evolutionair zijn aangepast en de moderne samenleving verklaart de grote aanwezigheid van deze verslavingen in moderne samenlevingen (met schattingen die oplopen tot 10% van de bevolking) (3).

Waarom verslavingen schadelijk zijn

Een verslaving komt voor wanneer iemand geen controle meer heeft over zijn of haar gedrag of het gebruik van middelen. Meestal gaat na verloop van tijd de nood aan het middel of het gedrag een hele sterke invloed uitoefenen op het leven van een persoon en tot problemen leiden. Zo kan iemand met een drugsverslaving al zijn of haar spaargeld (en dat van vrienden en familie) uitgeven aan het kopen van drugs en hierdoor mogelijk werkloos of dakloos worden. Op een gelijkaardige manier kan iemand met een gokverslaving al zijn spaargeld verspelen en eindigen met grote schulden of iemand met een sociale media verslaving kan de hele dag spenderen aan het creëren van content voor hun profiel, wat leidt tot de verwaarlozing van sociale relaties met vrienden en familie. Daarnaast kan een fastfood verslaving leiden tot morbide obesitas en kan een pornoverslaving ervoor zorgen dat je geen gezonde seksuele relaties meer kan aangaan. Kortom, een verslaving kan het hele leven van iemand overnemen en leiden tot aanzienlijke lichamelijke, mentale, financiële en/of sociale problemen.

Vaak is er een gradueel verloop bij een verslaving, waarbij er pas na verloop van tijd sprake is van problematisch gedrag. Initieel is het gedrag vaak onschuldig, maar na verloop van tijd is er steeds meer extremer gedrag of stimulatie nodig om hetzelfde belonende gevoel te krijgen. Zo kan bijvoorbeeld iemand met een gokverslaving telkens grotere sommen geld vergokken of iemand met een pornoverslaving steeds extremere en illegale films kijken om nog dezelfde opwinding te kunnen ervaren. Op een gelijkaardige manier kan iemand gradueel meer tijd investeren in het maken van digitale content of steeds meer fastfood eten om een gevoel van verzadiging te krijgen. Dit graduele verloop zorgt ervoor dat een verslaving soms moeilijk te herkennen is door de persoon zelf. Vaak kunnen anderen het verslaafde gedrag beter herkennen. Soms is op dit punt de veroorzaakte schade al enorm en moeilijk te overkomen. Toch is het goed om te realiseren dat er op ieder moment nog een ommekeer kan worden gemaakt weg van de snelle maar schadelijke beloningen gelinkt aan verslavingen.

Gedragsverslavingen en drugsverslavingen

In de wetenschappelijke literatuur wordt er soms een onderscheid gemaakt tussen gedragsverslavingen en drugsverslavingen. Bij gedragsverslavingen is de verslaving gelinkt aan het stellen van specifieke gedragingen zoals het eten van fastfood, gokken of online content plaatsen. Hierbij worden de hersenen indirect gestimuleerd met een korte dopamineboost door het eten van calorierijk fastfood of het krijgen van validatie (bv., ‘likes’) op sociale media. Daarentegen hebben verschillende drugs een directe invloed op dopamine en endorfine receptoren in de hersenen, wat leidt tot een fijn gevoel. Zo stimuleert het nemen van cocaïne direct de hoeveelheid dopamine in bepaalde hersengebieden, wat zorgt voor een genotsgevoel en een toename aan zelfvertrouwen. Heroïne daarentegen heeft een effect op de endorfine-receptoren in de hersenen, wat zorgt voor pijnverlaging en een intens gelukzalig gevoel. Door deze directe werking op het beloningsysteem in de hersenen kunnen harddrugs een sterk verslavend effect veroorzaken.

Zowel bij gedragsverslavingen en drugsverslavingen treedt er helaas vaak snel gewenning op aan de dopamineverhogingen in de hersenen, waardoor steeds grotere of frequentere dosissen moeten genomen worden van de drugs of dat er extremer gedrag moet worden gesteld (bv., grotere bedragen vergokken of vaker content posten op sociale media) om hetzelfde belonende effect te krijgen. Hierdoor kunnen beide soorten van verslavingen snel escaleren.

Net zoals bij gedragsverslavingen is er ook bij harddrugs opnieuw sprake van een evolutionaire mismatch: doorheen onze evolutie waren er nog nooit gepurificeerde of synthetische stoffen die een dergelijke sterke werking hebben op onze hersenen. We zijn dus ook niet evolutionair aangepast aan de mogelijke problemen die deze stoffen veroorzaken, zoals neveneffecten, afhankelijkheid en problemen in de sociale omgeving. Nu dat harddrugs meer en meer beschikbaar worden in Nederland en België levert deze mismatch aanzienlijke individuele en maatschappelijke problemen op.

Verslavingen tegengaan: uitgestelde beloning en alternatieve beloning

Door marktwerking en het resulterende uitgebreide aanbod aan dopamine-stimulerende middelen vergt het in de huidige maatschappij veel zelfcontrole om niet verslaafd te worden aan een van de vele verleidingen zoals fastfood, porno, gokken, roken, alcohol, drugs, gamen, medicatie, tv-series, shoppen of sociale media. Met uitzondering van drugs worden al deze zaken vaak direct gemarket aan ons (bv., via reclame op tv) en zijn ze makkelijk beschikbaar. Maar ondanks dat deze zaken makkelijk beschikbaar zijn en een fijn gevoel geven op korte termijn, zorgen ze op lange termijn vaak voor aanzienlijke gezondheidsschade, financiële problemen en/of sociale conflicten.

Eén manier om met deze verleiding door verslavende middelen om te gaan is via het hebben of aanleren van zelfcontrole. Vanuit onze omgeving en via informatiecampagnes worden we eraan herinnerd om aan de gevolgen op lange termijn te denken die zijn gelinkt aan verschillende verslaving (bv., leverschade na langdurig gebruik van alcohol) in plaats van enkel te focussen op het genot op de korte termijn. In de psychologie wordt het prioriteren van lange-termijn doelen over korte-termijn beloningen ook wel uitgesteld beloning genoemd. In de meest bekende studie over dit fenomeen gaven de onderzoekers kinderen een bord met een marshmallow erop (4). De kinderen werden verteld dat zij deze marshmallow meteen mochten opeten, maar als ze dit niet meteen deden zouden ze na ongeveer 15 minuten wachten een extra marshmallow krijgen. Deze “marshmallow test” om zelfcontrole te meten is nuttig gebleken om succes op latere leeftijd bij deze kinderen te voorspellen zoals schoolresultaten en een gezond BMI. Het niet doorstaan van de marshmallow test was gerelateerd aan een hogere kans op drugsgebruik op latere leeftijd (4).

Het hebben van zelfcontrole lijkt dus zeer nuttig in de context van verslavingen, zeker wanneer er vele verleidingen zijn die op lange termijn schade kunnen veroorzaken. Maar psychologisch onderzoek toont aan dat het moeilijk is om continu zelfcontrole te vertonen. Meer specifiek komt er uit sommige onderzoeken naar voren dat zelfcontrole een beperkte hulpbron is: na verloop van tijd raakt zelfcontrole uitgeput, net zoals een spier die vermoeid raakt (5). Na het uitoefenen van veel zelfcontrole hebben mensen soms moeilijkheden met het volhouden van zelfcontrole voor andere zaken (bv., na veel te hebben gewerkt ‘belonen’ sommige mensen zichzelf met ongezond eten) (6). Zelfcontrole is dus geen eindeloze bron. Daarnaast is er ook natuurlijke variabiliteit in het hebben van zelfcontrole: sommige mensen hebben veel meer zelfcontrole dan anderen. Het hebben van zelfcontrole alleen is dus vaak onvoldoende om met verslavingen om te kunnen gaan, zeker voor mensen die hier meer moeite mee hebben.

Een andere techniek dan zelfcontrole om verslavingen te vermijden of tegen te gaan is het zoeken naar andere zaken die belonend werken, zonder dat ze schadelijke effecten hebben op lange termijn. Hobby’s zoals hardlopen, fitness, tennis, bordspelletjes, filmavonden, lezen en reizen hebben ook een belonend effect op de hersenen, zonder dat ze op de lange termijn slecht voor ons zijn. Een welbekend fenomeen hiervan is de “runner’s high” waarbij endorfine in de hersenen vrijkomt na een lange rensessie (en andere sportsessies). Een voordeel van deze techniek is dat het vervangen van verslavingen door positieve (belonende) activiteiten een kleinere hoeveelheid zelfcontrole vereisen. Het is namelijk makkelijker om een andere leuke activiteit te doen (bv., naar de bioscoop gaan) dan om enkel iets niet te doen (bv., niet thuisblijven om series te binge-watchen). Een ander voordeel is dat positieve hobby’s vaak incompatibel zijn met verslavingen. Zo zijn alcohol en drugs slecht combineerbaar met sport of zijn spelletjesavonden met vrienden slecht combineerbaar met een verslaving aan sociale media. Onderzoek heeft ook aangetoond dat sport en fysieke activiteit kunnen helpen om drugsverslavingen tegen te gaan (7,8).

Conclusie: Verslavingen als evolutionaire mismatch

Doorheen onze evolutionaire geschiedenis hebben we sterke behoeftes ontwikkeld aan bepaalde zaken zoals calorierijk voedsel, seks en sociale validatie. In moderne samenlevingen zijn sommige van deze dingen overvloedig aanwezig, wat kan leiden tot verslavingen die een negatieve impact hebben op onze gezondheid en sociaal functioneren. Het vergt bijzonder veel zelfcontrole van mensen om niet verslaafd te worden aan de vele verleidingen die binnen moderne consumptie-gerichte samenlevingen worden aangeboden (bv., tv-series, sportweddenschappen, porno, fastfood, frisdrank, sociale media, games, online shoppen, etc.). Op individueel niveau kan het focussen op alternatieve belonende en gezonde activiteiten zoals sport of sociale activiteiten een manier bieden om met dit grote aanbod aan verslavende middelen om te gaan. Maar wellicht zal er op lange termijn meer regelgeving moeten komen vanuit overheden om de schadelijke gevolgen van overconsumptie te beperken, net zoals dit bijvoorbeeld met tabaksproducten gebeurde.


Referenties

1.          Spanagel R, Weiss F. The dopamine hypothesis of reward: past and current status. Trends Neurosci [Internet]. 1999 Nov;22(11):521–7. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0166223699014472

2.          Schultz W. Getting Formal with Dopamine and Reward. Neuron [Internet]. 2002 Oct;36(2):241–63. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0896627302009674

3.          Jellinenk. Hoeveel mensen in Nederland zijn verslaafd en hoeveel zijn er in behandeling? [Internet]. 2023. Available from: https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/hoeveel-mensen-zijn-verslaafd-en-hoeveel-zijn-er-in-behandeling/

4.          Shoda Y, Mischel W, Peake PK. Predicting adolescent cognitive and self-regulatory competencies from preschool delay of gratification: Identifying diagnostic conditions. Dev Psychol [Internet]. 1990 Nov;26(6):978–86. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0012-1649.26.6.978

5.          Muraven M, Baumeister RF. Self-regulation and depletion of limited resources: Does self-control resemble a muscle? Psychol Bull [Internet]. 2000;126(2):247–59. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0033-2909.126.2.247

6.          de Witt Huberts JC, Evers C, De Ridder DTD. License to sin: Self‐licensing as a mechanism underlying hedonic consumption. Eur J Soc Psychol [Internet]. 2012 Jun 20;42(4):490–6. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/ejsp.861

7.          Wang D, Wang Y, Wang Y, Li R, Zhou C. Impact of Physical Exercise on Substance Use Disorders: A Meta-Analysis. Raju R, editor. PLoS One [Internet]. 2014 Oct 16;9(10):e110728. Available from: https://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0110728

8.          Lynch WJ, Peterson AB, Sanchez V, Abel J, Smith MA. Exercise as a novel treatment for drug addiction: A neurobiological and stage-dependent hypothesis. Neurosci Biobehav Rev [Internet]. 2013 Sep;37(8):1622–44. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0149763413001668

Blog 3 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Hoe evolutie werkt en de evolutionaire geschiedenis van mensen

Succesvol (over)leven is jezelf kunnen aanpassen. Wanneer we dit niet doen heeft dit nadelige gevolgen zoals het verspillen van onnodige energie, risico op verwondingen en verlies aan opportuniteiten. Dit moet gebeuren tijdens het leven (bv., door nieuwe dingen te leren), maar ook tijdens onze evolutionaire geschiedenis over duizenden generaties. In deze blog wordt de evolutionaire aanpassing (of: adaptatie) van mensen doorheen miljoenen jaren van geschiedenis geschetst en hoe dit een invloed heeft op onze psychologische eigenschappen.

Ontogenetische en fylogenetische aanpassing

Mensen hebben twee verschillende manieren om zichzelf aan te passen aan hun omgeving. Een eerste manier is door te leren over de omgeving. Op basis van leerervaringen tijdens het leven kunnen mensen zich flexibel aanpassen aan hun omgeving. Zo zal je bijvoorbeeld nadat je bent gebeten geweest door een hond meer afstand houden van honden in de toekomst of zal je geen zeevruchten meer eten na een voedselvergiftiging door garnalen. Doorheen het leven wordt ons gedrag dus geleidelijk aangepast aan de omgeving door duizenden leerervaringen. De tweede manier van aanpassen aan de omgeving is door middel van evolutionaire selectie over generaties heen. Doorheen miljoenen jaren van evolutionaire selectie moesten onze voorouders aangepast zijn aan hun omgeving. Als zij dit niet deden, verkleinde dit de kans dat zij hun genen doorgaven aan een volgende generatie. Onze genetische samenstelling is hierdoor een reflectie van duizenden voorgaande generaties die zich succesvol hebben aangepast aan hun omgeving. Deze twee manieren van aanpassing aan de omgeving worden ook wel ontogenetische (i.e., aanpassing aan de omgeving doorheen het leven van een individu) en fylogenetische (i.e., aanpassing aan de omgeving doorheen verschillende generaties) adaptatie genoemd. Deze blog focust voornamelijk op de fylogenetische aanpassing van mensen doorheen miljoenen jaren van evolutionaire selectie en hoe dit het gedrag en de psychologie van moderne mensen heeft beïnvloed.

Deze focus op evolutionaire (of: fylogenetische) aanpassing is vrij uitzonderlijk binnen de gedragswetenschappen. Psychologen en andere gedragswetenschappers focussen zich voornamelijk op aanpassingen door leerervaringen (1). Dit is misschien niet heel verrassend, omdat bij mensen onze grote hersenen (evenals de relatief kleinere hersenen bij vele andere dieren) ons de capaciteit geeft om ons gedrag efficiënt en flexibel aan te passen aan de omgeving door middel van leerervaringen tijdens het leven. Van deze eigenschap van mensen tot leren wordt wereldwijd massaal gebruik van gemaakt: miljoenen kinderen gaan dagelijks naar school om nieuwe kennis op te doen, marketing departementen proberen ons continu enthousiast te maken over nieuwe producten en elke dag opnieuw leren we over wat er gebeurt in de wereld via kranten en tv-programma’s.

Desondanks de grote vaardigheid van mensen om te leren over hun omgeving is het belangrijk om te realiseren dat leren niet volledig los staat van evolutionaire aanpassing. Onze evolutionaire geschiedenis en genetische aanleg bepalen sterk wat en waarover wij kunnen leren. Zo zijn onze zintuigen niet evolutionair aangepast om bepaalde omgevingsfactoren waar te nemen (bv., UV-straling of virussen), waardoor we niet kunnen leren over deze factoren zelfs wanneer ze een grote impact kunnen hebben (bv., huidkanker of infecties). Verder liggen oorzaak en gevolg vaak te ver uit elkaar voor mensen om er vlot over te leren (bv., roken en longkanker). Tenslotte vertekent onze evolutionaire geschiedenis sterk waar we aandacht voor hebben (bv., het mispercipiëren van een stok als een slang, maar nooit het slang als een stok) en welke verbanden wij intuïtief leggen (bv., een diepe stem en fysieke kracht). Dit betekent dat, ondanks dat mensen heel erg goed kunnen leren over hun omgeving, onze evolutionaire geschiedenis toch voor een belangrijk deel beperkt en bepaalt waarover we leren (2,3).

Hoe evolutionaire aanpassing werkt

Het mechanisme van evolutionaire selectie en adaptatie is competitie tussen individuele genen (4,5). Genen zijn stukjes informatie in het DNA die via RNA en de vorming van eiwitten coderen voor bepaalde eigenschappen (bv., haarkleur, bloedtype, lengte, enzovoort). Genen die de kans op het doorgeven van genetisch materiaal vergroten zijn adaptief en zullen hierdoor toenemen in de genetische pool.[1] Genen die de kans verlagen dat genetisch materiaal wordt doorgegeven zijn niet-adaptief en zullen hierdoor afnemen in de genetische pool. Een extreem voorbeeld is iemand met een specifieke samenstelling aan genen waardoor deze persoon helemaal geen angst heeft voor hoogtes. Dit vergroot de kans dat deze persoon zich verwondt of zelfs overlijdt door te vallen van een grote hoogte. Dit, op zijn beurt, verkleint sterk de kans dat deze persoon zijn of haar genen kan doorgeven aan een volgende generatie. Daardoor zal evolutionaire selectie een voordeel geven aan individuen die wél angst hebben voor hoogtes en zullen de genen die hieraan gerelateerd zijn toenemen in de genenpool.

Het is belangrijk om op te merken dat specifieke genen bepaalde specifieke eigenschappen kunnen coderen (zoals jouw bloedgroep) of, veel vaker, dat vele verschillende genen kunnen bijdragen en onderling interageren om uitdrukking te geven aan specifieke of complexe eigenschappen (bv., lengte of intelligentie). Verder is aanpassing aan de omgeving een trade-off tussen verschillende zaken. Zo zal iemand die heel angstig is en hierdoor geen enkel risico durft te nemen ook een bepaald nadeel hebben om zijn of haar genen door te geven aan een volgende generatie (bv., het niet vinden van een partner). Door deze twee eigenschappen, met name het samenspel tussen genen onderling en trade-offs in de aanpassing aan de omgeving, is genetische aanpassing een subtiel fenomeen dat zich vaak ontplooit over verschillende generaties. Maar desondanks is het algemene principe hetzelfde: genen die helpen in de adaptatie aan de omgeving nemen toe in de genenpool en genen die niet helpen in de adaptatie aan de omgeving zullen afnemen in de genenpool. 

Evolutionaire adaptatie wordt vaak geïllustreerd aan de hand van uiterlijke kenmerken: Een luipaard heeft krachtige achterpoten om een snelle prooi te kunnen vangen, een pauw heeft een prachtige staart om vrouwtjes te lokken en een vis heeft kieuwen om zuurstof uit water te kunnen halen. Maar genetische adaptatie beperkt zich niet enkel tot uiterlijke kenmerken. Ook interne psychologische kenmerken zijn aangepast volgens de principes van natuurlijke selectie: Vogels kunnen elkaar door middel van geluid waarschuwen voor mogelijke roofdieren, verschillende diersoorten die in groep leven bepalen een sociale hiërarchie om onderlinge conflicten te verminderen en vele verschillende dieren (inclusief mensen) hebben een langetermijngeheugen om informatie over een langere tijd op te kunnen slaan. Evolutionaire selectie heeft dus niet enkel een invloed op waarneembare kenmerken, maar ook op de psychologische (of: mentale) capaciteiten van mensen en dieren.

Aanpassing en variatie

Een noodzakelijke voorwaarde voor evolutionaire aanpassing aan de omgeving is dat er variatie is in eigenschappen. Als er geen variatie is kan er ook geen evolutionaire aanpassing zijn aan de omgeving, want bij de kleinste verandering in de omgeving gaat de hele soort verloren. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de dodo vogel die leefde op het afgelegen eiland Mauritius in de Indische oceaan. Met de aankomst van Europese kolonisten op het eiland stierf deze soort snel uit. Dit kwam doordat, na duizenden jaren van evolutie op een afgelegen eiland, de dodo niet aangepast was aan deze plotse verandering in de omgeving. Zo waren dodo’s niet angstig voor mensen, waardoor ze een makkelijke prooi waren voor hongerige zeilers en de dieren die zij met zich meebrachten (waaronder ratten die de eieren van de dodo’s opaten). Als een aantal dodo’s angstiger waren geweest voor mensen en ratten was de soort misschien niet verloren gegaan. Miljoenen andere dier- en plantensoorten zijn soortgelijk uitgestorven door snelle omgevingsveranderingen en onvoldoende variatie om hiermee om te kunnen gaan.

Variatie is dus van fundamenteel belang voor genetische overleving en overerving. Het belang van variatie is ingebakken in de manier waarop wij als mensen onze genen doorgeven. Bij de bevruchting van een eicel wordt een random selectie van 50% van het genetische materiaal van de moeder (of: 23 chromosomen) gecombineerd met 50% van het genetische materiaal van de vader (het andere paar van de 23 chromosomen bij mensen). Het resultaat hiervan is variatie: Een korte vader kan toch lange kinderen krijgen en kinderen onderling kunnen aanzienlijk van elkaar verschillen. Daarnaast vinden er ook constant kleine mutaties plaats in ons DNA, waardoor er variaties ontstaan in onze genen welke worden doorgegeven aan de volgende generatie (indien ze voldoende adaptief blijken). Variatie is dus een essentieel onderdeel van evolutionaire aanpassing.

Variatie zien we terug bij mensen terug in heel veel verschillende eigenschappen: lengte, bloedtype, huidskleur, intelligentie, sociale vaardigheden, agressie, haarkleur, spierkracht, interesses, temperament, muzikaal talent, enzovoort. Over het algemeen is deze variatie geen probleem en zelfs extreem belangrijk voor aanpassing aan verschillende omgevingen. Maar in sommige gevallen kan extreme variatie wel problemen opleveren. Bijvoorbeeld hebben sommige personen last van kleurblindheid, wat problemen kan opleveren onder andere bij het lezen voor kleurcodes (bv., bij een stoplicht). Ook wat betreft psychologische eigenschappen kunnen extreme variaties leiden tot problemen. Bijvoorbeeld kan iemand met extreme agressie in de cel eindigen en kunnen personen met lage intelligentie moeite ervaren met het uitvoeren van complexe taken.

De variatie tussen mensen onderling is echter relatief. Op heel veel gebieden zijn we heel erg gelijkaardig. Net zoals iemand met weinig kennis van auto’s niet in staat is om verschillende modellen of zelfs automerken van elkaar te onderscheiden, kan een andere diersoort of een alien wellicht niet vlot verschillende mensen van elkaar onderscheiden. Mensen zijn, net zoals autoliefhebbers, gespecialiseerd in het herkennen van de beperkte variatie tussen mensen onderling. Voor ons zijn de subtiele verschillen in sociale vaardigheden, status, lengte, persoonlijkheid, aantrekkelijkheid, enzovoort enorm belangrijk voor onze positie in onze sociale omgeving (zie ook blog 9). Desondanks zijn we als soort erg gelijkaardig aangepast aan de omgeving via miljoenen jaren aan evolutie. Voor het begrijpen van evolutionaire psychologie is het belangrijk om enerzijds onze grote gelijkenissen en anderzijds onze subtiele verschillen te erkennen: het is mogelijk om uitspraken te doen die voor de meeste mensen opgaan, hoewel er tegelijkertijd variatie bestaat (bv., nagenoeg alle mensen hebben een langetermijngeheugen om informatie op te slaan, hoewel er individuele variatie bestaat in hoe goed dit geheugen is).

De rol van evolutionaire selectie voor het verklaren van menselijk gedrag

Omwille van miljoenen jaren van evolutionaire selectie en adaptatie aan de omgeving is het gedrag van mensen sterk beïnvloed door de historische omgevingen waarin onze voorouders leefden. Dit moet dan ook in rekening worden genomen wanneer we het gedrag van mensen willen verklaren, zoals de wetenschappelijke discipline psychologie dit beoogt te doen. Om meer te weten te komen over de historische leefomgeving van mensen moeten we echter terecht bij andere disciplines, zoals geschiedenis, archeologie, antropologie en ecologie.

Op basis van archeologisch onderzoek is er heel wat bekend over de evolutionaire geschiedenis van mensen. Zo leefden prehistorische mensen en hun voorouders voor de ontdekking van landbouw en de ontwikkeling van steden zo’n 10.000-15.000 jaar geleden gedurende miljoenen jaren in relatief kleine groepen van 50 tot 200 individuen van jagers-verzamelaars. Enkel sinds de ontwikkeling van landbouw en transportsystemen is het mogelijk geworden om met duizenden of zelfs miljoenen mensen samen te wonen in steden, wat een evolutionair heel recente verandering is. Naast het veranderen van de groepsgrootte waarin we leven zijn er ook nog andere evolutionair recente, maar fundamentele veranderingen ontstaan in onze leefomgeving. Zo zijn er allerhande moderne technologische ontwikkelingen zoals werktuigen, wapens, landbouwinnovaties, transportmiddelen, voedselbewerking, medicatie en communicatiemiddelen, die onze omgeving sterk hebben veranderd. Maar nog belangrijker dan de mate waarin onze omgeving is veranderd is de snelheid waarmee deze veranderd is. De meeste van onze technologieën zijn slechts enkele duizenden (bv., metaalbewerking en steden) tot zelfs maar enkele tientallen (bv., het internet en sociale media) jaren oud. In evolutionaire termen is dit slechts een heel beperkte periode, wat inhoudt dat mensen via evolutionaire selectie nog helemaal niet of slechts gedeeltelijk aangepast zijn aan deze omgevingsveranderingen.

Een belangrijk gevolg van deze snel veranderende omgeving is een mismatch tussen de omgeving en genen. We zijn evolutionair niet volledig aangepast aan de moderne omgeving waarin we wonen. Een medisch voorbeeld hiervan is overgewicht. Gedurende onze evolutionaire geschiedenis was voedsel over het algemeen vrij schaars en waren er geen extreem calorierijke voedingsmiddelen zoals chips, snoep of frisdrank beschikbaar. Door de historische schaarste in voeding is ons lichaam evolutionair aangepast om overtollige calorieën op te slaan als vet om te dienen als een reserve energriebron wanneer er onvoldoende eten is. Maar door onze snel veranderde moderne omgeving is er een mismatch ontstaan tussen ons lichaam die overtollige calorieën opslaat als vet en de wijdverspreide beschikbaarheid van snoep, frisdrank en fastfood. Het gevolg van deze mismatch is dat heel wat mensen last hebben van overgewicht, wat het risico voor diabetes en hart-en vaatziekten verhoogt. In de rest van de blog posts zullen we zien hoe veel verschillende psychologische problemen ook kunnen worden bekeken als het gevolg van een mismatch tussen de moderne omgeving en onze genen die evolutionair geselecteerd zijn over miljoenen jaren van evolutie in een hele andere omgeving dan de moderne samenleving.

Bezwaren tegen evolutionaire verklaringen voor menselijk gedrag

Het toepassen van evolutionaire principes bij mensen heeft een donkere geschiedenis. Onder andere de Nazi’s misbruikten evolutionaire ideeën om racistische en genocidale misdaden te rechtvaardigen. Dit toepassen van het idee van “genetische verbetering” van mensen door middel van onder andere gedwongen sterilisatie en moord wordt eugenetica genoemd. Maar niet enkel in Nazi Duitsland maakte zich schuldig aan deze eugenetische praktijken. Ook in de Verenigde Staten, Zweden en verschillende andere landen werden tot het einde van de jaren 1960 en zelfs 1970 tienduizenden mensen gedwongen gesteriliseerd met het eugenetische doel om het doorgeven van hun genetisch materiaal verhinderen (6,7). Het is dan ook niet verrassend dat, door deze voorgeschiedenis, heel veel wetenschappers zich tegenwoordig sterk verzetten tegen het idee dat evolutionaire principes kunnen worden toegepast worden op mensen. Toch is het van belang om het verschil te kunnen zien tussen enerzijds menselijk gedrag te proberen verklaren aan de hand van evolutionaire principes en anderzijds evolutionaire principes te misbruiken voor eugenetische doeleinden.

Daarnaast is het bestuderen van evolutionaire verklaringen voor het gedrag van mensen ingewikkeld. Onze informatie over de historische leefomgevingen van mensen duizenden jaren geleden is onvolledig. Vaak zijn er geen historische (i.e., geschreven) bronnen beschikbaar, aangezien schrijfsystemen slechts ongeveer 10.000 jaar geleden zijn ontwikkeld (samen met de opkomst van steden en complexe organisaties). Daardoor is onze informatie over de leefomgeving van prehistorische mensen hoofdzakelijk gebaseerd op indirecte bronnen, zoals archeologische bevindingen en de leefomgeving van de met ons genetisch nauw gerelateerde mensenapen, wat vaak discussies en onzekerheid oplevert. Ook is het niet ethisch en praktisch mogelijk om omgevingen van mensen direct te manipuleren om de processen van evolutionaire selectie rechtstreeks te bestuderen. Daardoor zijn veel evolutionaire verklaringen voor menselijk gedrag voor een groot deel speculatief en moeilijk te bevestigen. Tenslotte zijn er typisch veel verschillende genen betrokken bij complexe eigenschappen zoals psychologische problemen of intelligentie, en is het nog niet duidelijk hoe genen zich vertalen in deze complexe eigenschappen. Zo blijkt uit grote “Genome-Wide-Association-Studies”, waarbij genetische variaties worden gecorreleerd met psychologische eigenschappen in steekproeven van vaak honderdduizenden tot miljoenen mensen, dat er bij psychologische problemen zoals depressie, angst of schizofrenie vaak tientallen of zelfs honderden genen betrokken zijn, welke ieder maar een kleine invloed uitoefenen op de psychologische kenmerken (8,9). Momenteel is het dus nog helemaal niet duidelijk op welke manier deze verschillende genen interageren om aan complexe gedragingen en psychologische eigenschappen uiting te geven, wat genetische en evolutionaire verklaringen voor menselijk gedrag compliceert.

Tenslotte is het ook belangrijk om te realiseren dat niet alle menselijke gedragingen noodzakelijk een perfecte adaptatie reflecteren aan hun omgeving. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom menselijk gedrag niet perfect is aangepast aan de omgeving. Een eerste mogelijkheid is omgeving-mismatch, waar we eerder over schreven en wat de hoofdfocus van de blog posts zal zijn. Een andere mogelijkheid voor gedrag dat niet compleet is aangepast aan de omgeving zijn genetische afwijkingen of een genetisch defect. Een extreem voorbeeld hiervan is trisomie 13, waarbij er door een genetisch ongeluk er een extra kopie is van het 13e chromosoom in het DNA, wat kan resulteren in het syndroom van Down. Verder kunnen evolutionaire restanten (bv., het staartbeen) en evolutionaire bijproducten (bv., de navel) ook nog andere redenen zijn waarom bepaalde menselijk eigenschappen niet noodzakelijk evolutionaire aanpassingen reflecteren. Het is dus van belang om te onthouden dat niet alle menselijke gedragingen noodzakelijk het directe gevolg zijn van evolutionaire aanpassing. Genetische defecten, evolutionaire restanten en evolutionaire bijproducten kunnen mogelijke alternatieve verklaringen zijn.

Conclusie: Het belang van evolutionair psychologische verklaringen

Ondanks deze problemen voor evolutionaire verklaringen van menselijk gedrag is evolutie een fundamenteel proces dat een enorme invloed heeft uitgeoefend en blijft uitoefenen op het gedrag van mensen. Daarom is het van belang om zo goed mogelijk evolutionaire theorieën te ontwikkelen om menselijk gedrag te verklaren. Enkel met accurate theorieën kunnen we interventies ontwikkelen en omgevingen creëren die het meest effectief zijn om het welzijn van mensen te maximaliseren. Alternatieve theorieën voor mentale stoornissen baseren zich vaak op niet-wetenschappelijke concepten zoals straffen van God, bezetenheid of moreel falen, of doen beroep op grotendeels achterhaalde concepten voor het begrijpen van menselijke gedragingen (bv., dat alle mentale problemen hersenziekten zijn). Deze verklaringen hebben hun eigen beperkingen en problemen zoals schuld- een schaamtegevoelens, nodeloze en ineffectieve straffen of onbehulpzame en soms schadelijke medische behandelingen, en moeten daarom vervangen worden door meer accurate theorieën om mensen maximaal te kunnen helpen. 

Voetnoot

[1] De genenpool is een term uit de genetica die verwijst naar de verscheidenheid van álle variaties (allelen) van genen die momenteel aanwezig zijn bij mensen. Hierbij is het belangrijk om te realiseren dat er vanuit dit perspectief geen ‘goede’ of ‘slechte’ genen bestaan, maar enkel genen die succesvol zijn (of niet) om zichzelf te repliceren in de genetische pool. Daarnaast is wat ‘goed’ is voor het gen (bv., een gen dat bijdraagt angst ervaren en risico’s mijden) niet altijd ‘goed’ voor het organisme met dit gen (bv., iemand heeft erg veel last van angst, maar blijft wel in leven en geeft succesvol zijn/haar genen door).

Refenties

1.          Pinker S. The Blank Slate. Penguin Books; 2002.

2.          Garcia J, Kimeldorf DJ, Koelling RA. Conditioned Aversion to Saccharin Resulting from Exposure to Gamma Radiation. Science (80- ) [Internet]. 1955 Jul 22;122(3160):157–8. Available from: https://www.science.org/doi/10.1126/science.122.3160.157

3.          Domjan M. Biological or Evolutionary Constraints on Learning. In: Encyclopedia of the Sciences of Learning [Internet]. Boston, MA: Springer US; 2012. p. 461–3. Available from: http://link.springer.com/10.1007/978-1-4419-1428-6_89

4.          Dawkins R. The Selfish Gene. Oxford University Press; 1976.

5.          Hamilton WD. The Evolution of Altruistic Behavior. Am Nat [Internet]. 1963 Sep;97(896):354–6. Available from: https://www.journals.uchicago.edu/doi/10.1086/497114

6.          Manjeshwar J. America’s Forgotten History of Forced Sterilization. Berkeley Political Review [Internet]. 2020; Available from: https://bpr.studentorg.berkeley.edu/2020/11/04/americas-forgotten-history-of-forced-sterilization/

7.          Zampas C, Lamačková A. Forced and coerced sterilization of women in Europe. Int J Gynecol Obstet [Internet]. 2011 Aug 7;114(2):163–6. Available from: https://obgyn.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1016/j.ijgo.2011.05.002

8.          Wu Y, Cao H, Baranova A, Huang H, Li S, Cai L, et al. Multi-trait analysis for genome-wide association study of five psychiatric disorders. Transl Psychiatry [Internet]. 2020 Jul 19;10(1):209. Available from: https://www.nature.com/articles/s41398-020-00902-6

9.          Als TD, Kurki MI, Grove J, Voloudakis G, Therrien K, Tasanko E, et al. Depression pathophysiology, risk prediction of recurrence and comorbid psychiatric disorders using genome-wide analyses. Nat Med [Internet]. 2023 Jul 18;29(7):1832–44. Available from: https://www.nature.com/articles/s41591-023-02352-1

Blog 2 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en depressie

Depressie komt wereldwijd vaak voor. Ongeveer 1 op de 5 van alle mensen krijgt er ooit mee te maken. Deze hoge prevalentie van depressie is vrij vreemd vanuit evolutionaire psychologie: Waarom krijgen hier zoveel mensen last van? Is het evolutionair gezien niet beter dat mensen minder last hebben van depressie? In deze blogpost wordt beschreven hoe depressie kan gezien worden als een evolutionair ontwikkeld beschermingsmechanisme voor sociale aansluiting.

Mensen zijn groepsdieren

Individueel zijn we als mensen vrij kwetsbaar, zwak en hulpeloos. Vergeleken met andere dieren hebben we als mensen geen klauwen of slagtanden om onszelf te verdedigen, hebben we geen dikke vacht om onszelf te beschermen tegen kou en hebben we geen vleugels om snel te kunnen ontsnappen bij gevaar. Ook onze zintuigen (bv., gezichtsvermogen, ruikvermogen en gehoor) zijn relatief onderontwikkeld ten opzichte van heel wat andere diersoorten. Maar ten opzichte van alle andere diersoorten hebben mensen één enorm voordeel waardoor we in evolutionaire zin enorm succesvol zijn geworden (zoals onze verspreiding naar allerlei ontoegankelijke leefomgevingen zoals woestijnen en toendra’s): Mensen zijn extreem goed en gespecialiseerd in het samenwerken met elkaar. Zo zijn mensen in staat om met tientallen, honderden of zelfs duizenden individuen samen te werken aan een project (bv., het bouwen van een stad of het jagen op grote dieren). Hier halen we veel voordelen uit, zoals het verdelen van taken, het verwezenlijken van complexe projecten, het vinden van partners, het delen van kennis en onderlinge bescherming.

Om dit groepsgevoel te stimuleren hebben we als mensen een aantal vaardigheden ontwikkeld tijdens onze evolutionaire geschiedenis, zoals taal, herkenning van intenties bij anderen en groepsgevoelens. Deze vaardigheden zorgen ervoor dat we als mensen uitzonderlijk goed kunnen samenwerken met elkaar. Er zijn geen andere diersoorten die deze uitzonderlijk ontwikkelde samenwerkingscapaciteiten hebben, behalve grote apen en dolfijnen (maar niet in dezelfde mate als mensen). Hierdoor zijn we echter ook sterk afhankelijk van elkaar. Al miljoenen jaren leven moderne mensen en hun voorouders in kleine groepen tot aan de geleidelijke opkomst van steden zo een ~15.000 jaar geleden. Als diersoort zijn we hierdoor extreem aangepast aan leven in groepsverband van een beperkt aantal mensen (50 tot 200). Het is dan ook niet verrassend dat doorheen de evolutionaire geschiedenis mensen een sterke gevoeligheid hebben ontwikkeld voor het vormen en onderhouden van sociale relaties.

Depressie als een reactie op de bedreiging van een groepsdeelname

Het heeft een grote psychologische impact op mensen wanneer hun groepsgevoel, sociale relaties of sociale positie wordt bedreigd of veranderd, bijvoorbeeld na een scheiding, relatiebreuk, pesten, racisme, verlies van een dierbare of een ontslag. Dit kan leiden tot depressieve gevoelens. Bij een depressie is er meestal sprake van een neerslachtig gemoed, verminderde interesses, veranderingen in eetgedrag of gewicht en slaapproblemen. Ook kunnen er andere symptomen zijn zoals irritatie, moeite met het ervaren van emoties en verlies aan energie. Er wordt geschat dat ongeveer 1 op de 5 mensen gediagnosticeerd wordt met depressie tijdens zijn of haar leven (1,2). Daarnaast heeft wellicht nog een veel groter percentage last van mildere depressieve symptomen, zonder dat dit ooit formeel wordt gediagnosticeerd. Deze frequentie waarmee depressieve symptomen voorkomen doet vermoeden dat het een vaak voorkomende en normale reactie is van individuen op een bedreiging van sociale relaties.

Vanuit onze evolutionaire geschiedenis als groepsdier is een mogelijke evolutionaire verklaring van depressie dat het helpt om de verstoorde band met de groep te proberen beschermen of herstellen. Levensgebeurtenissen zoals een ontslag of een scheiding kunnen aangeven dat het groepsgevoel of de sociale status bedreigd wordt. In dit geval kan het een evolutionair voordeel opleveren om verdere problemen met de groep te voorkomen door bijvoorbeeld minder initiatieven te tonen en jezelf af te zonderen. Dit patroon kan voordelig zijn geweest voor onze voorouders doordat individuen die dit gedragspatroon vertonen niet als een bedreiging worden gezien en daardoor niet verder worden aangevallen of uitgestoten worden door de groep.

Het is vanuit het perspectief van de huidige maatschappij misschien vreemd om in te zien hoe dit patroon van “depressief gedrag” nuttig kan zijn, aangezien veel mensen momenteel prima zichzelf kunnen redden zonder deel uit te maken van een specifieke groep. Maar duizenden jaren geleden kon een ernstig conflict met de groep een grote bedreiging vormen voor het overleven van een individu of het vinden van een partner. Uitgestoten worden van een groep hield voor prehistorisch mensen veel gevaar en nadelen in, aangezien zij hierdoor een makkelijker slachtoffer werden voor rivalen, roofdieren, uithongering of andere bedreigingen. Hierdoor was er gedurende vele duizenden generaties een grote evolutionaire omgevingsdruk om een goede band te houden met de groep. Dit zorgt nu voor een evolutionaire mistmach in de moderne samenleving, waarin sterke emotionele reacties op groepsexclusie of statusverandering problemen kunnen opleveren zoals slaapproblemen, verlies van energie of een intens neerslachtig gevoel. Dit gedragspatroon is wellicht een overblijfsel van onze evolutionaire geschiedenis waarbij uitsluiting door een groep een ernstige dreiging was voor de overleving van een persoon.

Dit patroon van “depressieve gedragingen” waarbij een individu waarvan de sociale status verandert zich anders gaat gedragen of sociaal isoleren valt ook terug te zien bij andere groepsdieren. Zo zal een voormalige alfa-mannetje van een chimpansee groep zichzelf afzonderen nadat hij is verslagen geweest door een rivaal (3). Dit patroon van “depressieve gedragingen” kan het voormalige alfa-mannetje helpen om verdere aanvallen door zijn rivalen te voorkomen. Het komt namelijk relatief vaak voor bij chimpansee groepen dat een alfa-mannetje wordt vermoord door zijn rivalen en dit risico kan verminderd worden door onderdanig gedrag te vertonen. Ook rouwgedrag, wat een sterke link heeft met depressieve gevoelens, is geobserveerd bij verschillende dieren zoals mensapen, olifanten en walvissen (4). Zo zijn er verschillende observaties van olifanten die overleden kuddegenoten ‘begraven’ door takken en grond op het karkas te leggen, en elkaar troosten. Depressieve gevoelens en leven als een groepsdier lijken dus met elkaar samen te gaan.

Schaamte, schuld, depressie en zelfmoord

Omwille van dit grote belang van goed te kunnen samenleven in een groep voor mensen heeft de evolutie ons voorzien van een aantal sterke groepsemoties zoals schaamte en schuld. Bij schaamte is er een sterk negatief gevoel aanwezig gerelateerd aan het overschrijden van de eigen normen of de normen van de groep (bv., doorbreken van een cultureel taboe zoals seks voor het huwelijk). Bij schuld bestaat er een negatief gevoel over de verantwoordelijkheid rond het beschadigen van belangen van anderen of van een groep (bv., na het veroorzaken van een verkeersongeval). Deze emoties zijn in evolutionaire zin heel nuttig om mensen te motiveren om groepsbanden te herstellen na een conflict of het overtreden van een sociaal taboe. Het uiten van schaamte- en schuldgevoelens kunnen aan de groep signaleren dat iemand oprecht spijt heeft over het optreden van de groepsnormen, wat kan bijdragen aan het herstellen van de sociale banden. Als iemand geen spijt vertoont bestaat de kans dat de persoon wordt geëxcludeerd of verjaagd wordt uit de groep, wat evolutionair gezien een groot nadeel oplevert voor het individu (bv., makkelijker slachtoffer worden van rivalen en geen partner kunnen vinden). Echter kunnen deze schuld- en schaamtegevoelens ook te sterk worden ervaren of voortkomen uit een verkeerde overtuiging (bv., je meer schuldig voelen over het overtreden van een sociaal taboe dan wat nodig is; bv., je erg schuldig voelen over niet kunnen nakomen van een afspraak), wat aanleiding kan geven tot depressieve gevoelens.

Onder sommige omstandigheden kunnen schuld- en schaamtegevoelens zorgen voor extreme reacties. Zo kan iemand bijvoorbeeld de overtuiging ontwikkelen dat een bepaalde groep (bv., zijn/haar gezin) extreem veel schade ondervindt van zijn/haar gedrag of omstandigheden (bv., het gezin niet financieel kunnen ondersteunen na een ontslag). In uitzonderlijke gevallen kan hierdoor het waanidee ontstaan dat een zelfmoord een oplossing kan zijn voor de problemen die jouw gezin (of een andere groep) ondervindt. Natuurlijk komt dit waanidee zelden of nooit overeen met de realiteit, maar sterk evolutionair ontwikkelde groepsemoties zoals schuld en schaamte kunnen dit idee onterecht motiveren en bijdragen aan extreme gedragingen. Dit wordt bevestigd door verschillende onderzoeken waarbij gevonden wordt dat veel mensen die vaker nadenken over zelfmoord inderdaad meer worstelen met schuld- en schaamtegevoelens (5). Ook andere extreme gedragingen, zoals eremoorden om de eer van een gezin te herstellen na het overtreden van een sociale norm (bv., verliefd worden op iemand met een andere geloofsovertuiging), kunnen het gevolg zijn van extreme groepsemoties zoals schuld- en schaamtegevoelens.

Depressief realisme

Een andere evolutionaire theorie over depressie heet “depressief realisme”. Dit idee houdt in dat mensen die last hebben van depressie een meer realistische kijk op de wereld hebben (6). Ondersteuning hiervoor komt onder andere uit laboratoriumonderzoek dat mensen met depressie minder vaak dan niet-depressieve personen onterecht geloven dat zij controle hebben over een lichtje dat aangaat nadat ze op een knopje duwen, hoewel dit lichtje door de onderzoekers wordt gecontroleerd (7). Anders gezegd hebben niet-depressieve personen vaak een optimisme-bias (of optimisme-illusie): zij geloven dat zij meer controle hebben over de omgeving dan dat zij daadwerkelijk hebben of dat dingen beter zullen gaan dan wat statistisch kan verwacht worden. Dit optimisme kan in het echte leven ook worden geobserveerd zoals bijvoorbeeld bij huwelijken: hoewel ongeveer de helft van de huwelijken uiteindelijk mislukken gelooft de overgrote meerderheid van de personen die trouwen niet dat hun huwelijk zal stuklopen.

Depressieve gevoelens lijken dus gelinkt aan een accuratere perceptie over de wereld, wat op lange duur mogelijk grote voordelen met zich meebrengt. Zo kunnen bijvoorbeeld slechte investeringen, ongelukkige huwelijken of onsuccesvolle bedrijven worden vermeden door een meer realistische kijk op de slaagpercentages. Dit is wellicht het resultaat van evolutionaire aanpassingen: in uitdagende omgevingen is het nuttig om realistischer te zijn over risico’s. Wanneer je niet realistisch bent kan dit grote gevolgen hebben, zoals bijvoorbeeld sterven door honger omwille van een te optimistische verwachting over een risicovolle expeditie naar een andere vallei. In de huidige samenleving zijn de risico’s echter sterk beperkt: het wisselen naar een andere baan zal onwaarschijnlijk resulteren in een compleet verlies aan inkomen. Zelfs wanneer de nieuwe baan niet bevalt is het vaak eenvoudig om weer een andere baan te vinden. Anderzijds kan het risico van het veranderen van baan veel voordelen opleveren zoals een hoger loon, meer werkplezier of betere werktijden. In moderne maatschappijen loont het dus vaker voor individuen om iets optimistischer te zijn en zijn pessimistische verwachtingen minder nuttig dan tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Bij deze verklaring van depressie is er dus opnieuw sprake van een mismatch tussen wat tijdens onze evolutionaire geschiedenis nuttig was en wat nuttig is in moderne samenlevingen.

Genderverschillen in depressie

Depressie komt ongeveer tweemaal zo vaak voorkomt bij vrouwen als bij mannen (8). Dit is een patroon dat wordt gezien over de hele wereld in verschillende culturen. Deze universaliteit in de genderverschillen in risico op depressie suggereert een evolutionaire verklaring. Eén mogelijke evolutionaire verklaring is dat vrouwen nog meer dan mannen afhankelijk zijn van een sociale groep en netwerk omwille van zwangerschappen (9). Tijdens de zwangerschap zijn vrouwen voor 9 maanden meer kwetsbaar en hulpbehoevend. Daarom is een goed sociaal netwerk van groter belang voor vrouwen dan voor mannen, vooral tijdens de zwangerschap. Ook na de zwangerschap hebben vrouwen globaal gezien vaker de zorglast voor kinderen, wat hen opnieuw meer afhankelijk maakt van een sterk sociaal netwerk. Deze grotere afhankelijkheid van een sociale groep bij vrouwen was wellicht nog sterker uitgesproken tijdens onze evolutionaire geschiedenis dan in moderne samenlevingen. Momenteel kunnen vrouwen makkelijker zichzelf en een gezin kunnen onderhouden zonder een sterk sociaal netwerk (hoewel dit nog steeds heel uitdagend is natuurlijk), terwijl dit gedurende onze evolutionaire geschiedenis veel moeilijker was. Opnieuw is er dus sprake van een evolutionaire mismatch, waardoor vrouwen mogelijks meer gevoelig zijn dan nodig aan depressies in de moderne omgeving.

Deze verschillen in (historische) afhankelijkheid van sociale ondersteuning tussen mannen en vrouwen zorgt ook voor een verschil in sociale gedragingen tussen mannen en vrouwen: vrouwen investeren aanzienlijk meer tijd en energie in hun sociaal netwerk dan mannen. Dit levert vrouwen een sterker sociaal netwerk op, maar mogelijk ten koste van een grotere risico op depressieve gevoelens (o.a., door je meer zorgen te maken over of je wel voldoet aan de verwachtingen van vrienden en familie).

Worden antidepressiva te vaak voorgeschreven?

Voor een neerslachtig gevoel bij een uiteenlopend aantal omstandigheden wordt er vaak de diagnose depressie gebruikt en antidepressiva voorgeschreven. Zo komt het voor dat antidepressiva, al na een eenmalig bezoek aan de dokter, wordt voorgeschreven na een ontslag, scheiding, verlies van een dierbare, medische diagnose of zelfs een verloren finale van jouw favoriete voetbalclub. Begrijpelijkerwijs voelen mensen zich niet goed na dit soort van gebeurtenissen. Maar het is onduidelijk of antidepressiva een goed antwoord hierop zijn. Momenteel gebruiken ongeveer 1,2 miljoen Nederlanders en 700.000 Vlamingen antidepressiva. Dit komt neer op ruim 10% van de volwassen bevolking die antidepressiva gebruikt. Hoewel antidepressiva zeker nuttig kunnen zijn voor een aantal mensen die extreme of aanhoudende depressie ervaren kan het gebruik ook nadelen meebrengen. Zo zijn er verschillende bijwerkingen bij verschillende types van antidepressiva, zoals hoofdpijn, maagproblemen, angstigheid, libidoproblemen en zelfs suïcidale gedachten. Ook werken antidepressiva niet voor iedereen en kan het stoppen met antidepressiva soms leiden tot hevige ontwenningsverschijnselen. Antidepressiva zijn dus niet altijd de beste oplossing voor depressieve periodes.

Een alternatieve behandeling voor depressieve gevoelens is psychotherapie. Vele studies hebben aangetoond dat psychotherapie even goed of zelfs beter kan helpen bij depressie dan antidepressiva (10–12). Bij psychotherapie wordt er dieper ingegaan op de oorzaak van de depressieve gevoelens en worden negatieve gedachten die hiermee samengaan uitgedaagd. Zo hoeft bijvoorbeeld een ontslag niet te betekenen dat je een waardeloos persoon bent en geeft een scheiding niet aan dat je nooit meer een leuke partner kan vinden. Ook worden patiënten tijdens psychotherapie uitgedaagd om op een positieve manier nieuwe dingen te ondernemen, zoals het vinden van een nieuwe hobby of het deelnemen aan een groepsreis. Het ondernemen van nieuwe activiteiten kan mensen met een depressie toelaten om nieuwe (sociale) activiteiten te vinden die belonend werken, in plaats van zichzelf vast te lopen in situaties en omgevingen die geen (sociale) beloning geven. Op deze manier focust psychotherapie directer op de oorzaak van depressieve gevoelens, in plaats van het uitschakelen van deze gevoelens met antidepressiva.

Naast psychotherapie is een complementaire benadering om meer ruimte te geven aan negatieve gevoelens. Moderne consumptiegerichte samenlevingen zoals Nederland en België zijn sterk ingericht op positieve gevoelens: er zijn altijd nieuwe jobs om voor te solliciteren, bedrijfjes om te starten, spullen om te kopen, reizen om te maken of evenementen om heen te gaan. Dit biedt weinig ruimte voor het voelen van negatieve gevoelens en er is een grote sociale druk om jezelf niet neerslachtig te voelen. Deze sociale druk kan leiden tot een negatieve spiraal, waarbij mensen zich schuldig gaan voelen omdat ze zich depressief voelen, wat vervolgens deze spiraal nog kan versterken. Daarom is het nuttig om te realiseren dat depressieve gevoelens in veel gevallen een normale en tijdelijke reactie zijn op uitdagende omstandigheden waarmee de meeste mensen ooit worden geconfronteerd. Wanneer we collectief kunnen accepteren dat we ons op sommige momenten minder goed voelen en dat dit een tijdelijk en overgaand gevoel is, dan hoeven we ons niet additioneel schuldig te voelen omdat we ons depressief voelen.

Conclusie: depressie als een evolutionair beschermingsmechanisme

Samengenomen zijn de gevoelens en gedragingen gelinkt aan depressie wellicht onderdeel van een evolutionair beschermingsmechanisme om ons te helpen aansluiting te blijven vinden bij een groep en realistische verwachtingen te hebben over de omgeving. Depressieve gedragingen kunnen helpen om verdere exclusie door een groep te voorkomen (bv., door een stapje achteruit te doen en minder initiatieven te tonen) en/of om onnodige energieverspilling in onsuccesvolle ondernemingen te beperken. Helaas kan dit defensiemechanisme soms doorslaan, met te sterke depressieve gevoelens en gedragingen tot gevolg. Daarnaast is er een evolutionaire mismatch: In moderne individualistische maatschappijen zijn veel groepen niet zo hecht en meer veranderlijk dan tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Dit kan een aanhoudend gevoelen creëren van groepsbedreiging en isolatie doordat we door evolutionaire aanpassing een sterke motivatie hebben ontwikkeld om deel uit te maken van een groep. Dit aanhoudende gevoel isolatie in meer individualistische maatschappijen verklaart deels waarom we momenteel zulke hoge depressiecijfers zien en waarom het gebruik van antidepressiva zo wijdverspreid is.

Refenties

1.          Hasin DS, Sarvet AL, Meyers JL, Saha TD, Ruan WJ, Stohl M, et al. Epidemiology of Adult DSM-5 Major Depressive Disorder and Its Specifiers in the United States. JAMA Psychiatry [Internet]. 2018 Apr 1;75(4):336. Available from: http://archpsyc.jamanetwork.com/article.aspx?doi=10.1001/jamapsychiatry.2017.4602

2.          Trimbos Instituut. Cijfers depressie en suïcide [Internet]. Available from: https://www.trimbos.nl/kennis/cijfers/depressie/

3.          Goodall J. Social rejection, exclusion, and shunning among the Gombe chimpanzees. Ethol Sociobiol [Internet]. 1986 Jan;7(3–4):227–36. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/0162309586900506

4.          King BJ. The expression of grief in monkeys, apes, and other animals. In: Corbey R, Lanjouw A, editors. The Politics of Species: Reshaping Our Relationship with Other Animals. Cambridge University Press; 2013.

5.          Kealy D, Treeby MS, Rice SM. Shame, guilt, and suicidal thoughts: The interaction matters. Br J Clin Psychol [Internet]. 2021 Sep 9;60(3):414–23. Available from: https://bpspsychub.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/bjc.12291

6.          Alloy LB, Abramson LY. Judgment of contingency in depressed and nondepressed students: sadder but wiser? J Exp Psychol Gen [Internet]. 1979 Dec;108(4):441–85. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/528910

7.          Moore MT, Fresco DM. Depressive realism: A meta-analytic review. Clin Psychol Rev [Internet]. 2012 Aug;32(6):496–509. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0272735812000670

8.          Salk RH, Hyde JS, Abramson LY. Gender differences in depression in representative national samples: Meta-analyses of diagnoses and symptoms. Psychol Bull [Internet]. 2017 Aug;143(8):783–822. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/bul0000102

9.          Lampert A, Friedman A. Sex differences in vulnerability and maladjustment as a function of parental investment: An evolutionary approach. Biodemography Soc Biol [Internet]. 1992 Mar 23;39(1–2):65–81. Available from: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/19485565.1992.9988805

10.        Cuijpers P, Noma H, Karyotaki E, Vinkers CH, Cipriani A, Furukawa TA. A network meta‐analysis of the effects of psychotherapies, pharmacotherapies and their combination in the treatment of adult depression. World Psychiatry [Internet]. 2020 Feb 10;19(1):92–107. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/wps.20701

11.        Cuijpers P, Miguel C, Harrer M, Plessen CY, Ciharova M, Ebert D, et al. Cognitive behavior therapy vs. control conditions, other psychotherapies, pharmacotherapies and combined treatment for depression: a comprehensive meta‐analysis including 409 trials with 52,702 patients. World Psychiatry [Internet]. 2023 Feb 14;22(1):105–15. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/wps.21069

12.        DeRubeis RJ, Siegle GJ, Hollon SD. Cognitive therapy versus medication for depression: treatment outcomes and neural mechanisms. Nat Rev Neurosci [Internet]. 2008 Oct 11;9(10):788–96. Available from: https://www.nature.com/articles/nrn2345

Blog 1 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en angsten

Een noodzakelijke voorwaarde om je genen succesvol door te geven aan een volgende generatie is in leven blijven. De wereld is een gevaarlijke plek: Het is mogelijk om van een klif te vallen, in water te verdrinken, onderkoeld te worden, een voedselvergiftiging op te lopen, geïnfecteerd worden door een virus of bacterie, aangevallen te worden door een roofdier, te verhongeren, gedehydrateerd te geraken of vermoord te worden door een rivaal. Als gevolg van deze vele mogelijke gevaren hebben mensen en vele andere dieren de capaciteit tot het ervaren van angst ontwikkeld.

Angst bereid jouw lichaam voor op actie

Mensen die helemaal geen angst hebben leven meestal niet lang genoeg om hun genen door te geven en voor hun kinderen te zorgen. Angst is daarom van groot evolutionair belang. Meer specifiek helpt angst met het mobiliseren van energie en het voorbereiden op actie ondernemen, zoals via het verhogen van de hartslag, het aanspannen van spieren, het verwijden van pupillen en lozen van onnodige ballast (zoals in de blaas). Verder motiveert angst het proactief vermijden van situaties die potentieel gevaarlijk kunnen zijn (bv., ’s nachts er niet alleen op uit gaan). Dit gedragspatroon zorgt ervoor dat diegene die de angst ervaart een grotere kans heeft om in leven te blijven. Dit patroon van psychologische, fysiologische en gedragsveranderingen wordt ook wel de vecht-of-vlucht (“fight-or-flight”) reactie genoemd, wat het lichaam in staat stelt om snel te reageren op mogelijke gevaren en bedreigingen.

Angststoornissen bij mensen

Angststoornissen is de vaakst voorkomende categorie van mentale stoornissen. Ruim 1 op de 4 mensen zal tijdens zijn of haar leven te maken krijgen met een angststoornis (3). De DSM-5 somt 11 verschillende angststoornissen op. Hiervan is specifieke fobie wellicht de bekendste stoornis, waarbij mensen intense angst hebben voor een specifiek dier, object of situatie (bv., spinnen, naalden of hoogtes). Iemand met een fobie durft bijvoorbeeld niet alleen naar de zolder omdat hij of zij daar eens een spin heeft gezien of durft niet naar de tandarts uit angst voor naalden. Angst kan echter ook minder specifiek zijn, zoals bij gegeneraliseerde angststoornis, waarbij mensen zich dagelijks continu zorgen maken over allerlei zaken, zoals ziekten, het verliezen van een baan, afspraken missen, geldproblemen, autoproblemen, familieruzies, enzovoort. De belangrijkste kenmerken van alle verschillende angststoornissen zijn dat deze buitenproportioneel veel angst inhouden in vergelijking met het objectieve gevaar en dat deze angst interfereert met het dagelijkse functioneren (bv., niet naar werkafspraken kunnen gaan omwille van sociale angst).

De hoge prevalentie van angststoornissen in moderne samenlevingen is paradoxaal, aangezien het leven van veel mensen aanzienlijk veiliger is geworden in de afgelopen honderden jaren (4,5). Zo komen de meeste mensen in steden weinig in contact met gevaarlijke roofdieren of slangen, is er in veel landen een politiemacht die direct geweld tussen mensen grotendeels voorkomt, zijn veel ziektes goed te behandelen met medicatie en zijn er sociale vangnetten voor het verlies van inkomen door ziekte. Als mensen zich vlot kunnen aanpassen aan hun omgeving door middel van leren waren veel van deze extreme angsten wellicht grotendeels verdwenen. Maar zoals vermeld zijn mensen sterk gevormd door hun evolutionaire geschiedenis en verdwijnen onze evolutionaire angsten niet zomaar. Er is dus een mismatch tussen onze evolutionaire geschiedenis die veel gevaren bevatte en onze veilige moderne omgeving, wat resulteert in angststoornissen die onnodig interfereren met ons dagelijkse leven.

Angsten zijn niet random verdeeld

De objecten en situaties waarvoor mensen het vaakst angst hebben zijn sterk beïnvloed door evolutionaire selectie. Meer bepaald zijn mensen typisch bang voor dingen zoals slangen, spinnen, insecten, hoogtes, open water, afgesloten ruimtes, lichamelijke sensaties, bloed, duisternis, vreemde personen, verlating en ziekten. Dit zijn zaken die doorheen onze evolutionaire geschiedenis vaak een direct gevaar inhielden voor onze voorouders (1,2). Daarentegen lokken moderne “gevaren” zoals auto’s motorfietsen, wapens, roken, fastfood, luchtvervuiling en gebrek aan beweging, welke jaarlijks in geïndustrialiseerde landen honderdduizenden doden veroorzaken, typisch minder of geen angst uit bij mensen. Dit toont opnieuw hoe onze angsten vooral onze evolutionaire geschiedenis reflecteren.

Individuele variatie in angstigheid

Ondanks het evolutionaire belang van angst is het interessant dat niet iedereen last heeft van angststoornissen. Sommige mensen ervaren weinig tot geen angst. Dit is het gevolg van de aanzienlijke variatie tussen mensen in hoe angstig we zijn. Variatie een hele handige eigenschap voor evolutionaire adaptatie. In sommige omgevingen loont het om minder angstig te zijn en meer te profiteren van opportuniteiten die zich voordoen (bv., jagen op grote dieren, met allerlei risico’s van dien). In andere omgevingen is het dan weer adaptiever om meer angst te ervaren omdat er veel gevaren zijn (bv., voorzichtiger zijn in een omgeving met veel roofdieren). Met andere woorden is er een trade-off verbonden aan het ervaren van angst: wanneer je veel angst ervaart loop je minder gevaar, maar ben je ook geneigd om minder risico te nemen waardoor je soms beloningen misloopt. En wanneer je weinig angst ervaart durf je meer risico te nemen, met de hieraan gekoppelde gevaren en beloningen. Deze trade-off in het evolutionaire voordeel van angst heeft wellicht wisselende voordelen gegeven aan individuen met verschillende neigingen tot het ervaren van angst doorheen de evolutionaire geschiedenis van mensen, wat nu resulteert in aanzienlijke variatie in angstigheid tussen mensen.

Kunnen angsten ook worden aangeleerd?

Angsten zijn grotendeels, maar niet alleen maar evolutionair bepaald. Ook onze leergeschiedenis heeft een invloed op onze angsten. Zo zullen sommige mensen angst ontwikkelen voor autorijden na een auto-ongeluk, desondanks dat auto’s niet bestonden en dus ook geen gevaar inhielden tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Ook andere angsten zoals angst voor honden, tandartsen en wespen kunnen worden aangeleerd na een pijnlijke beet, behandeling of steek. Angsten kunnen dus zeker het resultaat zijn van leerervaringen tijdens de kindertijd of later in het leven (6). We kunnen zelfs angst aanleren door het observeren van anderen of via verbale informatie (7–9). Zo weten bijvoorbeeld bijna alle kinderen dat ze niet een warme kookplaat mogen aanraken, zonder dat ze dit ooit zelf hebben ervaren of dat hiervoor specifieke genen zijn geselecteerd doorheen de evolutionaire geschiedenis.

Ondanks de bijdrage van leerervaringen is de invloed hiervan niet compleet evenredig met de invloed van evolutionaire aanpassing op angsten. Spinnenfobie, slangenfobie en hoogte-angst komen veel vaker voor dan angst voor roken, zwaarlijvigheid en onveilige seks, ondanks uitgebreide informatiecampagnes om mensen de gevaren te laten inzien gelinkt aan sigaretten, ongezond voedsel of seksueel overdraagbare ziekten. Wij blijven als mensen dus vooral sterk geneigd zijn om angst te hebben voor dingen die een gevaar inhielden tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Het is dus zeker mogelijk om angsten aan te leren, maar een groot deel van onze angsten is evolutionair bepaald.

Angst en bevriezen

Een reactie die soms optreedt bij onmiddellijk dreigend gevaar, zoals een auto die plots op jou afrijdt, is ‘bevriezen’. Bij deze reactie kunnen de spieren verlamd of net hyper-gespannen aanvoelen waardoor het voelt alsof het onmogelijk is om te kunnen bewegen. Ook daalt vaak de ademhaling en de harstslag, en is er een vernauwing van de bloedvaten. Deze reactie komt voor bij meerdere diersoorten en heeft wellicht het doel om jachtdieren, waarvan de ogen gericht zijn op het detecteren van bewegingen, ‘blind’ te maken voor onze aanwezigheid (10,11). Daarnaast helpt deze reactie om zuurstof te besparen en minder bloed te verliezen bij een eventuele verwonding. Echter helpt deze reactie in andere situaties niet zoveel, zoals wanneer er een auto op je komt afgereden of wanneer iemand agressief gedrag vertoont. Opnieuw toont deze ‘bevriezingsreactie’ aan hoe onze evolutionaire geschiedenis ons gedrag beïnvloedt en hoe dit niet altijd goed is afgestemd op situaties in de moderne omgeving.

Bevriezen komt ook vaak voor bij seksueel geweld, waarbij bijvoorbeeld een vrouw zich verlamd kan voelen wanneer zij seksueel wordt aangerand. Het voorkomen van bevriezing bij seksueel geweld is gelinkt aan het ervaren van meer schuldgevoelens (bv., “ik heb mezelf niet verdedigd”) en een verhoogd risico op het ontwikkelen van post-traumatische stressstoornis (12). Deze schuldgevoelens zijn echter onterecht omdat bevriezing bij direct gevaar een onvrijwillige evolutionaire reflex is. Kennis over de evolutionaire oorsprong van onze reacties kan dus helpen om onnodige schuld- en schaamtegevoelens en sociaal stigma te voorkomen.

Angst en walging

Een emotie die nauw gerelateerd is aan angst is walging. Bij walging lokken bepaalde zaken of situaties een sterke weerzin en fysiologische reacties uit (bv., zelf de neiging krijgen tot overgeven wanneer je iemand anders ziet overgeven). Verschillende onderzoeken hebben gevonden dat walging een grote rol lijkt te spelen bij verschillende angststoornissen zoals bij spinnenfobie, naaldenfobie en trypofobie (angst voor kleine gaten) (13). Daarnaast heeft walging vaak ook een motiverende rol bij obsessief-compulsieve stoornissen, zoals obsessief schoonmaken.

Net zoals angst lijkt walging ook een evolutionair beschermingsmechanisme te zijn. Maar terwijl bij angst de dreiging typisch gerelateerd is aan fysiek gevaar (bv., van een hoogte vallen) is bij walging de dreiging gerelateerd aan besmetting door ziekteverwekkers (bv., virussen, bacteriën of schimmels) (14). Evolutionair gezien is het adaptief om contact met mogelijke ziektedragers (bv., uitwerpselen, bloed en insecten) te vermijden om zo besmetting te voorkomen en de gezondheid te beschermen. De gedragspatronen geactiveerd door walging (bv., overgeven of vermijden van walgende dingen) helpen om ziekteverwekkers te verwijderen uit het lichaam of te voorkomen dat deze in het lichaam terecht komen. Net zoals bij angst kan ook walging disproportioneel zijn aan het gevaar, wat nadelige neveneffecten oplevert en daardoor kan gezien worden als een psychologische stoornis. Zo wassen bijvoorbeeld sommige mensen met smetvrees hun handen dusdanig vaak dat de huid beschadigd raakt en lopen daardoor net meer risico op infecties door schimmels en bacteriën (15).

Het behandelen van angsten

Een effectieve manier om angststoornissen te behandelen is blootstellingstherapie (of: exposure therapie). In deze therapie worden mensen met een bepaalde angst systematisch blootgesteld aan hetgeen waarvoor ze angstig zijn. Bijvoorbeeld moet een patiënt met een fobie voor spinnen gradueel meer uitdagende stappen zetten, zoals het kijken naar een spin, het staan naast een terrarium met een spin, het stoppen van een hand in het terrarium, het vasthouden van een spin met handschoenen en het vasthouden van een spin zonder handschoenen. Het idee achter blootstellingstherapie is dat patiënten met fobieën of andere angsten op deze manier hun angsten uitdagen en onrealistische verwachtingen kunnen ontkrachten (bv., dat de spin zal opspringen). Blootstellingstherapie is erg effectief gebleken voor de behandeling van verschillende angststoornissen, zoals specifieke fobieën, sociale angst en paniekstoornis (16). Zo is het mogelijk dat mensen met een fobie na zelfs één sessie van blootstellingstherapie een aanzienlijke verbeteringen rapporteren van hun klachten, of zelfs helemaal vrij zijn van angst.

Helaas is het zo dat veel mensen met angststoornissen blootstellingstherapie vermijden omdat deze als onaangenaam wordt ervaren. Begrijpelijkerwijs vinden veel mensen met angsten het niet fijn om te moeten worden blootgesteld aan hetgeen waarvoor ze angst hebben. Dit levert veel stress op en dit is dan ook een belangrijke beperking van blootstellingstherapie. Het vermijden van blootstellingstherapie kan deels overkomen worden door het aanbieden van gevreesde objecten of situaties in Virtual Reality of door imaginaire exposure (i.e., het inbeelden van angstige situaties of objecten). Op deze manier kan blootstellingstherapie dragelijker worden gemaakt en kunnen meer mensen met angsten profiteren van deze effectieve behandeling. Ook deze manier van blootstellingstherapie aanbieden lijkt effectief te zijn voor het verminderen van angsten (17).

De effectiviteit van therapieën voor angst toont dat we op basis van leerervaringen evolutionair geprogrammeerde angsten zoals voor spinnen, slangen of hoogtes kunnen overkomen. Het is dus niet zo dat een bepaalde evolutionaire neiging tot angst (of depressie of verslaving; zie de volgende blog posts) onvermijdelijk moet resulteren in angst (of depressie of verslaving). Door leerervaringen kunnen we deze evolutionaire neigingen overkomen of ermee leren omgaan, al kan dit uitdagend en onaangenaam zijn.

Waarom zijn we zo bang voor spinnen?

Ongeveer 5% van alle mensen heeft last van arachnofobie, oftewel angst voor spinnen. Vanuit evolutionair oogpunt is deze hoge prevalentie van angst voor spinnen vrij moeilijk te verklaren. Spinnen zijn namelijk niet erg gevaarlijk voor mensen. Er zijn slechts enkele spinnen die voldoende gif hebben om mensen te kunnen doden. Deze spinnen komen ook enkel voor in een aantal specifieke gebieden en het is uitzonderlijk dat zij mensen bijten (tenzij ze toevallig in je schoen zitten). Ook tijdens onze evolutionaire geschiedenis waren spinnen geen groot gevaar voor mensen. Daarom blijft het onduidelijk waarom mensen zo vaak bang zijn voor spinnen.

Een mogelijke verklaring is dat spinnen een aantal kenmerken combineren welke ervoor zorgen dat mensen bang zijn voor spinnen: 1) Zij komen vrij vaak voor in onze omgeving (o.a., in huis), waardoor we vaker met hen worden geconfronteerd en we dus ook meer last kunnen hebben wanneer we angst hebben voor spinnen. 2) Ze hebben fysieke overeenkomsten en zijn evolutionair gerelateerd aan schorpioenen, die wel gevaar inhouden voor mensen (18). 3) Spinnen hebben een aantal anatomische kenmerken zoals acht poten en grote cheliceren (gifkaken), wat ervoor zorgt dat ze worden gepercipieerd als heel bewegelijk en gevaarlijk. Het is wellicht door deze toevallige combinatie van eigenschappen dat spinnen zoveel angst uitlokken, desondanks dat ze vanuit evolutionair oogpunt weinig direct gevaar voor mensen inhielden.

Conclusie: Het evolutionaire nut van angst  

Angst is een heel nuttige emotie. Het helpt ons letterlijk om in leven te blijven en is daarom van groot evolutionair belang. Maar helaas is bij heel wat mensen angst te sterk uitgesproken en zijn we in een moderne omgeving vooral bang voor zaken die weinig direct gevaar inhouden (bv., spinnen). Deze paradoxale aspecten van angst kunnen we het beste begrijpen vanuit een evolutionair psychologisch oogpunt. Gelukkig zijn er effectieve behandelingen zoals blootstellingstherapie beschikbaar om een teveel aan angst succesvol tegen te gaan.

Referenties

1.          Poulton R, Menzies RG. Non-associative fear acquisition: a review of the evidence from retrospective and longitudinal research. Behav Res Ther [Internet]. 2002 Feb;40(2):127–49. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0005796701000456

2.          Marks I fM., Nesse RM. Fear and fitness: An evolutionary analysis of anxiety disorders. Ethol Sociobiol [Internet]. 1994 Sep;15(5–6):247–61. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/0162309594900027

3.          ten Have M, Tuithof M, van Dorsselaer S, Schouten F, Luik AI, de Graaf R. Prevalence and trends of common mental disorders from 2007‐2009 to 2019‐2022: results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS), including comparison of prevalence rates before vs. during the COVID‐19 pandemic. World Psychiatry [Internet]. 2023 Jun 9;22(2):275–85. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/wps.21087

4.          Pinker S. The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined. Viking Books; 2011.

5.          Rosling H. Factfulness: Ten Reasons We’re Wrong About the World – and Why Things Are Better Than You Think. Flatiron Books; 2018.

6.          Beckers T, Hermans D, Lange I, Luyten L, Scheveneels S, Vervliet B. Understanding clinical fear and anxiety through the lens of human fear conditioning. Nat Rev Psychol [Internet]. 2023 Feb 16;2(4):233–45. Available from: https://www.nature.com/articles/s44159-023-00156-1

7.          Rachman S. The conditioning theory of fear-acquisition: a critical examination. Behav Res Ther [Internet]. 1977 Jan;15(5):375–87. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/612338

8.          Mertens G, Boddez Y, Sevenster D, Engelhard IM, De Houwer J. A review on the effects of verbal instructions in human fear conditioning: Empirical findings, theoretical considerations, and future directions. Biol Psychol [Internet]. 2018 Sep;137:49–64. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0301051118305179

9.          Gerull FC, Rapee RM. Mother knows best: effects of maternal modelling on the acquisition of fear and avoidance behaviour in toddlers. Behav Res Ther [Internet]. 2002 Mar;40(3):279–87. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11863238

10.        Bracha HS. Freeze, Flight, Fight, Fright, Faint: Adaptationist Perspectives on the Acute Stress Response Spectrum. CNS Spectr [Internet]. 2004 Sep 7;9(9):679–85. Available from: https://www.cambridge.org/core/product/identifier/S1092852900001954/type/journal_article

11.        Hagenaars MA, Oitzl M, Roelofs K. Updating freeze: Aligning animal and human research. Neurosci Biobehav Rev [Internet]. 2014 Nov;47:165–76. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0149763414001869

12.        Rubin DC, Bell CF. Tonic immobility (freezing) during sexual and physical assaults produces stronger memory effects than other characteristics of the assaults. Memory [Internet]. 2023 May 28;31(5):678–88. Available from: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/09658211.2023.2188642

13.        Cisler JM, Olatunji BO, Lohr JM. Disgust, fear, and the anxiety disorders: A critical review. Clin Psychol Rev. 2009 Feb;29(1):34–46.

14.        Oaten M, Stevenson RJ, Case TI. Disgust as a disease-avoidance mechanism. Psychol Bull. 2009;135(2):303–21.

15.        Åkerlund S, Seifert O, Assarsson J, Gulin-Jerkovic S. Significant Association Between Obsessive-Compulsive Disorder And Atopic Dermatitis – A Retrospective Population-Based Case-Control Study. Dermatol Pract Concept [Internet]. 2023 Jan 31;e2023053. Available from: https://dpcj.org/index.php/dpc/article/view/2558

16.        Telch MJ, Cobb AR, Lancaster CL. Exposure Therapy. In: Emmelkamp P, Ehring T, editors. The Wiley Handbook of Anxiety Disorders [Internet]. Wiley; 2014. p. 715–56. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/9781118775349.ch35

17.        Powers MB, Emmelkamp PMG. Virtual reality exposure therapy for anxiety disorders: A meta-analysis. J Anxiety Disord [Internet]. 2008 Apr;22(3):561–9. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S088761850700103X

18.        Frynta D, Janovcová M, Štolhoferová I, Peléšková Š, Vobrubová B, Frýdlová P, et al. Emotions triggered by live arthropods shed light on spider phobia. Sci Rep [Internet]. 2021 Nov 15;11(1):22268. Available from: https://www.nature.com/articles/s41598-021-01325-z