Depressie komt wereldwijd vaak voor. Ongeveer 1 op de 5 van alle mensen krijgt er ooit mee te maken. Deze hoge prevalentie van depressie is vrij vreemd vanuit evolutionaire psychologie: Waarom krijgen hier zoveel mensen last van? Is het evolutionair gezien niet beter dat mensen minder last hebben van depressie? In deze blogpost wordt beschreven hoe depressie kan gezien worden als een evolutionair ontwikkeld beschermingsmechanisme voor sociale aansluiting.
Mensen zijn groepsdieren
Individueel zijn we als mensen vrij kwetsbaar, zwak en hulpeloos. Vergeleken met andere dieren hebben we als mensen geen klauwen of slagtanden om onszelf te verdedigen, hebben we geen dikke vacht om onszelf te beschermen tegen kou en hebben we geen vleugels om snel te kunnen ontsnappen bij gevaar. Ook onze zintuigen (bv., gezichtsvermogen, ruikvermogen en gehoor) zijn relatief onderontwikkeld ten opzichte van heel wat andere diersoorten. Maar ten opzichte van alle andere diersoorten hebben mensen één enorm voordeel waardoor we in evolutionaire zin enorm succesvol zijn geworden (zoals onze verspreiding naar allerlei ontoegankelijke leefomgevingen zoals woestijnen en toendra’s): Mensen zijn extreem goed en gespecialiseerd in het samenwerken met elkaar. Zo zijn mensen in staat om met tientallen, honderden of zelfs duizenden individuen samen te werken aan een project (bv., het bouwen van een stad of het jagen op grote dieren). Hier halen we veel voordelen uit, zoals het verdelen van taken, het verwezenlijken van complexe projecten, het vinden van partners, het delen van kennis en onderlinge bescherming.
Om dit groepsgevoel te stimuleren hebben we als mensen een aantal vaardigheden ontwikkeld tijdens onze evolutionaire geschiedenis, zoals taal, herkenning van intenties bij anderen en groepsgevoelens. Deze vaardigheden zorgen ervoor dat we als mensen uitzonderlijk goed kunnen samenwerken met elkaar. Er zijn geen andere diersoorten die deze uitzonderlijk ontwikkelde samenwerkingscapaciteiten hebben, behalve grote apen en dolfijnen (maar niet in dezelfde mate als mensen). Hierdoor zijn we echter ook sterk afhankelijk van elkaar. Al miljoenen jaren leven moderne mensen en hun voorouders in kleine groepen tot aan de geleidelijke opkomst van steden zo een ~15.000 jaar geleden. Als diersoort zijn we hierdoor extreem aangepast aan leven in groepsverband van een beperkt aantal mensen (50 tot 200). Het is dan ook niet verrassend dat doorheen de evolutionaire geschiedenis mensen een sterke gevoeligheid hebben ontwikkeld voor het vormen en onderhouden van sociale relaties.
Depressie als een reactie op de bedreiging van een groepsdeelname
Het heeft een grote psychologische impact op mensen wanneer hun groepsgevoel, sociale relaties of sociale positie wordt bedreigd of veranderd, bijvoorbeeld na een scheiding, relatiebreuk, pesten, racisme, verlies van een dierbare of een ontslag. Dit kan leiden tot depressieve gevoelens. Bij een depressie is er meestal sprake van een neerslachtig gemoed, verminderde interesses, veranderingen in eetgedrag of gewicht en slaapproblemen. Ook kunnen er andere symptomen zijn zoals irritatie, moeite met het ervaren van emoties en verlies aan energie. Er wordt geschat dat ongeveer 1 op de 5 mensen gediagnosticeerd wordt met depressie tijdens zijn of haar leven (1,2). Daarnaast heeft wellicht nog een veel groter percentage last van mildere depressieve symptomen, zonder dat dit ooit formeel wordt gediagnosticeerd. Deze frequentie waarmee depressieve symptomen voorkomen doet vermoeden dat het een vaak voorkomende en normale reactie is van individuen op een bedreiging van sociale relaties.
Vanuit onze evolutionaire geschiedenis als groepsdier is een mogelijke evolutionaire verklaring van depressie dat het helpt om de verstoorde band met de groep te proberen beschermen of herstellen. Levensgebeurtenissen zoals een ontslag of een scheiding kunnen aangeven dat het groepsgevoel of de sociale status bedreigd wordt. In dit geval kan het een evolutionair voordeel opleveren om verdere problemen met de groep te voorkomen door bijvoorbeeld minder initiatieven te tonen en jezelf af te zonderen. Dit patroon kan voordelig zijn geweest voor onze voorouders doordat individuen die dit gedragspatroon vertonen niet als een bedreiging worden gezien en daardoor niet verder worden aangevallen of uitgestoten worden door de groep.
Het is vanuit het perspectief van de huidige maatschappij misschien vreemd om in te zien hoe dit patroon van “depressief gedrag” nuttig kan zijn, aangezien veel mensen momenteel prima zichzelf kunnen redden zonder deel uit te maken van een specifieke groep. Maar duizenden jaren geleden kon een ernstig conflict met de groep een grote bedreiging vormen voor het overleven van een individu of het vinden van een partner. Uitgestoten worden van een groep hield voor prehistorisch mensen veel gevaar en nadelen in, aangezien zij hierdoor een makkelijker slachtoffer werden voor rivalen, roofdieren, uithongering of andere bedreigingen. Hierdoor was er gedurende vele duizenden generaties een grote evolutionaire omgevingsdruk om een goede band te houden met de groep. Dit zorgt nu voor een evolutionaire mistmach in de moderne samenleving, waarin sterke emotionele reacties op groepsexclusie of statusverandering problemen kunnen opleveren zoals slaapproblemen, verlies van energie of een intens neerslachtig gevoel. Dit gedragspatroon is wellicht een overblijfsel van onze evolutionaire geschiedenis waarbij uitsluiting door een groep een ernstige dreiging was voor de overleving van een persoon.
Dit patroon van “depressieve gedragingen” waarbij een individu waarvan de sociale status verandert zich anders gaat gedragen of sociaal isoleren valt ook terug te zien bij andere groepsdieren. Zo zal een voormalige alfa-mannetje van een chimpansee groep zichzelf afzonderen nadat hij is verslagen geweest door een rivaal (3). Dit patroon van “depressieve gedragingen” kan het voormalige alfa-mannetje helpen om verdere aanvallen door zijn rivalen te voorkomen. Het komt namelijk relatief vaak voor bij chimpansee groepen dat een alfa-mannetje wordt vermoord door zijn rivalen en dit risico kan verminderd worden door onderdanig gedrag te vertonen. Ook rouwgedrag, wat een sterke link heeft met depressieve gevoelens, is geobserveerd bij verschillende dieren zoals mensapen, olifanten en walvissen (4). Zo zijn er verschillende observaties van olifanten die overleden kuddegenoten ‘begraven’ door takken en grond op het karkas te leggen, en elkaar troosten. Depressieve gevoelens en leven als een groepsdier lijken dus met elkaar samen te gaan.
Schaamte, schuld, depressie en zelfmoord
Omwille van dit grote belang van goed te kunnen samenleven in een groep voor mensen heeft de evolutie ons voorzien van een aantal sterke groepsemoties zoals schaamte en schuld. Bij schaamte is er een sterk negatief gevoel aanwezig gerelateerd aan het overschrijden van de eigen normen of de normen van de groep (bv., doorbreken van een cultureel taboe zoals seks voor het huwelijk). Bij schuld bestaat er een negatief gevoel over de verantwoordelijkheid rond het beschadigen van belangen van anderen of van een groep (bv., na het veroorzaken van een verkeersongeval). Deze emoties zijn in evolutionaire zin heel nuttig om mensen te motiveren om groepsbanden te herstellen na een conflict of het overtreden van een sociaal taboe. Het uiten van schaamte- en schuldgevoelens kunnen aan de groep signaleren dat iemand oprecht spijt heeft over het optreden van de groepsnormen, wat kan bijdragen aan het herstellen van de sociale banden. Als iemand geen spijt vertoont bestaat de kans dat de persoon wordt geëxcludeerd of verjaagd wordt uit de groep, wat evolutionair gezien een groot nadeel oplevert voor het individu (bv., makkelijker slachtoffer worden van rivalen en geen partner kunnen vinden). Echter kunnen deze schuld- en schaamtegevoelens ook te sterk worden ervaren of voortkomen uit een verkeerde overtuiging (bv., je meer schuldig voelen over het overtreden van een sociaal taboe dan wat nodig is; bv., je erg schuldig voelen over niet kunnen nakomen van een afspraak), wat aanleiding kan geven tot depressieve gevoelens.
Onder sommige omstandigheden kunnen schuld- en schaamtegevoelens zorgen voor extreme reacties. Zo kan iemand bijvoorbeeld de overtuiging ontwikkelen dat een bepaalde groep (bv., zijn/haar gezin) extreem veel schade ondervindt van zijn/haar gedrag of omstandigheden (bv., het gezin niet financieel kunnen ondersteunen na een ontslag). In uitzonderlijke gevallen kan hierdoor het waanidee ontstaan dat een zelfmoord een oplossing kan zijn voor de problemen die jouw gezin (of een andere groep) ondervindt. Natuurlijk komt dit waanidee zelden of nooit overeen met de realiteit, maar sterk evolutionair ontwikkelde groepsemoties zoals schuld en schaamte kunnen dit idee onterecht motiveren en bijdragen aan extreme gedragingen. Dit wordt bevestigd door verschillende onderzoeken waarbij gevonden wordt dat veel mensen die vaker nadenken over zelfmoord inderdaad meer worstelen met schuld- en schaamtegevoelens (5). Ook andere extreme gedragingen, zoals eremoorden om de eer van een gezin te herstellen na het overtreden van een sociale norm (bv., verliefd worden op iemand met een andere geloofsovertuiging), kunnen het gevolg zijn van extreme groepsemoties zoals schuld- en schaamtegevoelens.
Depressief realisme
Een andere evolutionaire theorie over depressie heet “depressief realisme”. Dit idee houdt in dat mensen die last hebben van depressie een meer realistische kijk op de wereld hebben (6). Ondersteuning hiervoor komt onder andere uit laboratoriumonderzoek dat mensen met depressie minder vaak dan niet-depressieve personen onterecht geloven dat zij controle hebben over een lichtje dat aangaat nadat ze op een knopje duwen, hoewel dit lichtje door de onderzoekers wordt gecontroleerd (7). Anders gezegd hebben niet-depressieve personen vaak een optimisme-bias (of optimisme-illusie): zij geloven dat zij meer controle hebben over de omgeving dan dat zij daadwerkelijk hebben of dat dingen beter zullen gaan dan wat statistisch kan verwacht worden. Dit optimisme kan in het echte leven ook worden geobserveerd zoals bijvoorbeeld bij huwelijken: hoewel ongeveer de helft van de huwelijken uiteindelijk mislukken gelooft de overgrote meerderheid van de personen die trouwen niet dat hun huwelijk zal stuklopen.
Depressieve gevoelens lijken dus gelinkt aan een accuratere perceptie over de wereld, wat op lange duur mogelijk grote voordelen met zich meebrengt. Zo kunnen bijvoorbeeld slechte investeringen, ongelukkige huwelijken of onsuccesvolle bedrijven worden vermeden door een meer realistische kijk op de slaagpercentages. Dit is wellicht het resultaat van evolutionaire aanpassingen: in uitdagende omgevingen is het nuttig om realistischer te zijn over risico’s. Wanneer je niet realistisch bent kan dit grote gevolgen hebben, zoals bijvoorbeeld sterven door honger omwille van een te optimistische verwachting over een risicovolle expeditie naar een andere vallei. In de huidige samenleving zijn de risico’s echter sterk beperkt: het wisselen naar een andere baan zal onwaarschijnlijk resulteren in een compleet verlies aan inkomen. Zelfs wanneer de nieuwe baan niet bevalt is het vaak eenvoudig om weer een andere baan te vinden. Anderzijds kan het risico van het veranderen van baan veel voordelen opleveren zoals een hoger loon, meer werkplezier of betere werktijden. In moderne maatschappijen loont het dus vaker voor individuen om iets optimistischer te zijn en zijn pessimistische verwachtingen minder nuttig dan tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Bij deze verklaring van depressie is er dus opnieuw sprake van een mismatch tussen wat tijdens onze evolutionaire geschiedenis nuttig was en wat nuttig is in moderne samenlevingen.
Genderverschillen in depressie
Depressie komt ongeveer tweemaal zo vaak voorkomt bij vrouwen als bij mannen (8). Dit is een patroon dat wordt gezien over de hele wereld in verschillende culturen. Deze universaliteit in de genderverschillen in risico op depressie suggereert een evolutionaire verklaring. Eén mogelijke evolutionaire verklaring is dat vrouwen nog meer dan mannen afhankelijk zijn van een sociale groep en netwerk omwille van zwangerschappen (9). Tijdens de zwangerschap zijn vrouwen voor 9 maanden meer kwetsbaar en hulpbehoevend. Daarom is een goed sociaal netwerk van groter belang voor vrouwen dan voor mannen, vooral tijdens de zwangerschap. Ook na de zwangerschap hebben vrouwen globaal gezien vaker de zorglast voor kinderen, wat hen opnieuw meer afhankelijk maakt van een sterk sociaal netwerk. Deze grotere afhankelijkheid van een sociale groep bij vrouwen was wellicht nog sterker uitgesproken tijdens onze evolutionaire geschiedenis dan in moderne samenlevingen. Momenteel kunnen vrouwen makkelijker zichzelf en een gezin kunnen onderhouden zonder een sterk sociaal netwerk (hoewel dit nog steeds heel uitdagend is natuurlijk), terwijl dit gedurende onze evolutionaire geschiedenis veel moeilijker was. Opnieuw is er dus sprake van een evolutionaire mismatch, waardoor vrouwen mogelijks meer gevoelig zijn dan nodig aan depressies in de moderne omgeving.
Deze verschillen in (historische) afhankelijkheid van sociale ondersteuning tussen mannen en vrouwen zorgt ook voor een verschil in sociale gedragingen tussen mannen en vrouwen: vrouwen investeren aanzienlijk meer tijd en energie in hun sociaal netwerk dan mannen. Dit levert vrouwen een sterker sociaal netwerk op, maar mogelijk ten koste van een grotere risico op depressieve gevoelens (o.a., door je meer zorgen te maken over of je wel voldoet aan de verwachtingen van vrienden en familie).
Worden antidepressiva te vaak voorgeschreven?
Voor een neerslachtig gevoel bij een uiteenlopend aantal omstandigheden wordt er vaak de diagnose depressie gebruikt en antidepressiva voorgeschreven. Zo komt het voor dat antidepressiva, al na een eenmalig bezoek aan de dokter, wordt voorgeschreven na een ontslag, scheiding, verlies van een dierbare, medische diagnose of zelfs een verloren finale van jouw favoriete voetbalclub. Begrijpelijkerwijs voelen mensen zich niet goed na dit soort van gebeurtenissen. Maar het is onduidelijk of antidepressiva een goed antwoord hierop zijn. Momenteel gebruiken ongeveer 1,2 miljoen Nederlanders en 700.000 Vlamingen antidepressiva. Dit komt neer op ruim 10% van de volwassen bevolking die antidepressiva gebruikt. Hoewel antidepressiva zeker nuttig kunnen zijn voor een aantal mensen die extreme of aanhoudende depressie ervaren kan het gebruik ook nadelen meebrengen. Zo zijn er verschillende bijwerkingen bij verschillende types van antidepressiva, zoals hoofdpijn, maagproblemen, angstigheid, libidoproblemen en zelfs suïcidale gedachten. Ook werken antidepressiva niet voor iedereen en kan het stoppen met antidepressiva soms leiden tot hevige ontwenningsverschijnselen. Antidepressiva zijn dus niet altijd de beste oplossing voor depressieve periodes.
Een alternatieve behandeling voor depressieve gevoelens is psychotherapie. Vele studies hebben aangetoond dat psychotherapie even goed of zelfs beter kan helpen bij depressie dan antidepressiva (10–12). Bij psychotherapie wordt er dieper ingegaan op de oorzaak van de depressieve gevoelens en worden negatieve gedachten die hiermee samengaan uitgedaagd. Zo hoeft bijvoorbeeld een ontslag niet te betekenen dat je een waardeloos persoon bent en geeft een scheiding niet aan dat je nooit meer een leuke partner kan vinden. Ook worden patiënten tijdens psychotherapie uitgedaagd om op een positieve manier nieuwe dingen te ondernemen, zoals het vinden van een nieuwe hobby of het deelnemen aan een groepsreis. Het ondernemen van nieuwe activiteiten kan mensen met een depressie toelaten om nieuwe (sociale) activiteiten te vinden die belonend werken, in plaats van zichzelf vast te lopen in situaties en omgevingen die geen (sociale) beloning geven. Op deze manier focust psychotherapie directer op de oorzaak van depressieve gevoelens, in plaats van het uitschakelen van deze gevoelens met antidepressiva.
Naast psychotherapie is een complementaire benadering om meer ruimte te geven aan negatieve gevoelens. Moderne consumptiegerichte samenlevingen zoals Nederland en België zijn sterk ingericht op positieve gevoelens: er zijn altijd nieuwe jobs om voor te solliciteren, bedrijfjes om te starten, spullen om te kopen, reizen om te maken of evenementen om heen te gaan. Dit biedt weinig ruimte voor het voelen van negatieve gevoelens en er is een grote sociale druk om jezelf niet neerslachtig te voelen. Deze sociale druk kan leiden tot een negatieve spiraal, waarbij mensen zich schuldig gaan voelen omdat ze zich depressief voelen, wat vervolgens deze spiraal nog kan versterken. Daarom is het nuttig om te realiseren dat depressieve gevoelens in veel gevallen een normale en tijdelijke reactie zijn op uitdagende omstandigheden waarmee de meeste mensen ooit worden geconfronteerd. Wanneer we collectief kunnen accepteren dat we ons op sommige momenten minder goed voelen en dat dit een tijdelijk en overgaand gevoel is, dan hoeven we ons niet additioneel schuldig te voelen omdat we ons depressief voelen.
Conclusie: depressie als een evolutionair beschermingsmechanisme
Samengenomen zijn de gevoelens en gedragingen gelinkt aan depressie wellicht onderdeel van een evolutionair beschermingsmechanisme om ons te helpen aansluiting te blijven vinden bij een groep en realistische verwachtingen te hebben over de omgeving. Depressieve gedragingen kunnen helpen om verdere exclusie door een groep te voorkomen (bv., door een stapje achteruit te doen en minder initiatieven te tonen) en/of om onnodige energieverspilling in onsuccesvolle ondernemingen te beperken. Helaas kan dit defensiemechanisme soms doorslaan, met te sterke depressieve gevoelens en gedragingen tot gevolg. Daarnaast is er een evolutionaire mismatch: In moderne individualistische maatschappijen zijn veel groepen niet zo hecht en meer veranderlijk dan tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Dit kan een aanhoudend gevoelen creëren van groepsbedreiging en isolatie doordat we door evolutionaire aanpassing een sterke motivatie hebben ontwikkeld om deel uit te maken van een groep. Dit aanhoudende gevoel isolatie in meer individualistische maatschappijen verklaart deels waarom we momenteel zulke hoge depressiecijfers zien en waarom het gebruik van antidepressiva zo wijdverspreid is.
Refenties
1. Hasin DS, Sarvet AL, Meyers JL, Saha TD, Ruan WJ, Stohl M, et al. Epidemiology of Adult DSM-5 Major Depressive Disorder and Its Specifiers in the United States. JAMA Psychiatry [Internet]. 2018 Apr 1;75(4):336. Available from: http://archpsyc.jamanetwork.com/article.aspx?doi=10.1001/jamapsychiatry.2017.4602
2. Trimbos Instituut. Cijfers depressie en suïcide [Internet]. Available from: https://www.trimbos.nl/kennis/cijfers/depressie/
3. Goodall J. Social rejection, exclusion, and shunning among the Gombe chimpanzees. Ethol Sociobiol [Internet]. 1986 Jan;7(3–4):227–36. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/0162309586900506
4. King BJ. The expression of grief in monkeys, apes, and other animals. In: Corbey R, Lanjouw A, editors. The Politics of Species: Reshaping Our Relationship with Other Animals. Cambridge University Press; 2013.
5. Kealy D, Treeby MS, Rice SM. Shame, guilt, and suicidal thoughts: The interaction matters. Br J Clin Psychol [Internet]. 2021 Sep 9;60(3):414–23. Available from: https://bpspsychub.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/bjc.12291
6. Alloy LB, Abramson LY. Judgment of contingency in depressed and nondepressed students: sadder but wiser? J Exp Psychol Gen [Internet]. 1979 Dec;108(4):441–85. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/528910
7. Moore MT, Fresco DM. Depressive realism: A meta-analytic review. Clin Psychol Rev [Internet]. 2012 Aug;32(6):496–509. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0272735812000670
8. Salk RH, Hyde JS, Abramson LY. Gender differences in depression in representative national samples: Meta-analyses of diagnoses and symptoms. Psychol Bull [Internet]. 2017 Aug;143(8):783–822. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/bul0000102
9. Lampert A, Friedman A. Sex differences in vulnerability and maladjustment as a function of parental investment: An evolutionary approach. Biodemography Soc Biol [Internet]. 1992 Mar 23;39(1–2):65–81. Available from: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/19485565.1992.9988805
10. Cuijpers P, Noma H, Karyotaki E, Vinkers CH, Cipriani A, Furukawa TA. A network meta‐analysis of the effects of psychotherapies, pharmacotherapies and their combination in the treatment of adult depression. World Psychiatry [Internet]. 2020 Feb 10;19(1):92–107. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/wps.20701
11. Cuijpers P, Miguel C, Harrer M, Plessen CY, Ciharova M, Ebert D, et al. Cognitive behavior therapy vs. control conditions, other psychotherapies, pharmacotherapies and combined treatment for depression: a comprehensive meta‐analysis including 409 trials with 52,702 patients. World Psychiatry [Internet]. 2023 Feb 14;22(1):105–15. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/wps.21069
12. DeRubeis RJ, Siegle GJ, Hollon SD. Cognitive therapy versus medication for depression: treatment outcomes and neural mechanisms. Nat Rev Neurosci [Internet]. 2008 Oct 11;9(10):788–96. Available from: https://www.nature.com/articles/nrn2345