Tagarchief: Psychologie

Blog 1 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en angsten

Een noodzakelijke voorwaarde om je genen succesvol door te geven aan een volgende generatie is in leven blijven. De wereld is een gevaarlijke plek: Het is mogelijk om van een klif te vallen, in water te verdrinken, onderkoeld te worden, een voedselvergiftiging op te lopen, geïnfecteerd worden door een virus of bacterie, aangevallen te worden door een roofdier, te verhongeren, gedehydrateerd te geraken of vermoord te worden door een rivaal. Als gevolg van deze vele mogelijke gevaren hebben mensen en vele andere dieren de capaciteit tot het ervaren van angst ontwikkeld.

Angst bereid jouw lichaam voor op actie

Mensen die helemaal geen angst hebben leven meestal niet lang genoeg om hun genen door te geven en voor hun kinderen te zorgen. Angst is daarom van groot evolutionair belang. Meer specifiek helpt angst met het mobiliseren van energie en het voorbereiden op actie ondernemen, zoals via het verhogen van de hartslag, het aanspannen van spieren, het verwijden van pupillen en lozen van onnodige ballast (zoals in de blaas). Verder motiveert angst het proactief vermijden van situaties die potentieel gevaarlijk kunnen zijn (bv., ’s nachts er niet alleen op uit gaan). Dit gedragspatroon zorgt ervoor dat diegene die de angst ervaart een grotere kans heeft om in leven te blijven. Dit patroon van psychologische, fysiologische en gedragsveranderingen wordt ook wel de vecht-of-vlucht (“fight-or-flight”) reactie genoemd, wat het lichaam in staat stelt om snel te reageren op mogelijke gevaren en bedreigingen.

Angststoornissen bij mensen

Angststoornissen is de vaakst voorkomende categorie van mentale stoornissen. Ruim 1 op de 4 mensen zal tijdens zijn of haar leven te maken krijgen met een angststoornis (3). De DSM-5 somt 11 verschillende angststoornissen op. Hiervan is specifieke fobie wellicht de bekendste stoornis, waarbij mensen intense angst hebben voor een specifiek dier, object of situatie (bv., spinnen, naalden of hoogtes). Iemand met een fobie durft bijvoorbeeld niet alleen naar de zolder omdat hij of zij daar eens een spin heeft gezien of durft niet naar de tandarts uit angst voor naalden. Angst kan echter ook minder specifiek zijn, zoals bij gegeneraliseerde angststoornis, waarbij mensen zich dagelijks continu zorgen maken over allerlei zaken, zoals ziekten, het verliezen van een baan, afspraken missen, geldproblemen, autoproblemen, familieruzies, enzovoort. De belangrijkste kenmerken van alle verschillende angststoornissen zijn dat deze buitenproportioneel veel angst inhouden in vergelijking met het objectieve gevaar en dat deze angst interfereert met het dagelijkse functioneren (bv., niet naar werkafspraken kunnen gaan omwille van sociale angst).

De hoge prevalentie van angststoornissen in moderne samenlevingen is paradoxaal, aangezien het leven van veel mensen aanzienlijk veiliger is geworden in de afgelopen honderden jaren (4,5). Zo komen de meeste mensen in steden weinig in contact met gevaarlijke roofdieren of slangen, is er in veel landen een politiemacht die direct geweld tussen mensen grotendeels voorkomt, zijn veel ziektes goed te behandelen met medicatie en zijn er sociale vangnetten voor het verlies van inkomen door ziekte. Als mensen zich vlot kunnen aanpassen aan hun omgeving door middel van leren waren veel van deze extreme angsten wellicht grotendeels verdwenen. Maar zoals vermeld zijn mensen sterk gevormd door hun evolutionaire geschiedenis en verdwijnen onze evolutionaire angsten niet zomaar. Er is dus een mismatch tussen onze evolutionaire geschiedenis die veel gevaren bevatte en onze veilige moderne omgeving, wat resulteert in angststoornissen die onnodig interfereren met ons dagelijkse leven.

Angsten zijn niet random verdeeld

De objecten en situaties waarvoor mensen het vaakst angst hebben zijn sterk beïnvloed door evolutionaire selectie. Meer bepaald zijn mensen typisch bang voor dingen zoals slangen, spinnen, insecten, hoogtes, open water, afgesloten ruimtes, lichamelijke sensaties, bloed, duisternis, vreemde personen, verlating en ziekten. Dit zijn zaken die doorheen onze evolutionaire geschiedenis vaak een direct gevaar inhielden voor onze voorouders (1,2). Daarentegen lokken moderne “gevaren” zoals auto’s motorfietsen, wapens, roken, fastfood, luchtvervuiling en gebrek aan beweging, welke jaarlijks in geïndustrialiseerde landen honderdduizenden doden veroorzaken, typisch minder of geen angst uit bij mensen. Dit toont opnieuw hoe onze angsten vooral onze evolutionaire geschiedenis reflecteren.

Individuele variatie in angstigheid

Ondanks het evolutionaire belang van angst is het interessant dat niet iedereen last heeft van angststoornissen. Sommige mensen ervaren weinig tot geen angst. Dit is het gevolg van de aanzienlijke variatie tussen mensen in hoe angstig we zijn. Variatie een hele handige eigenschap voor evolutionaire adaptatie. In sommige omgevingen loont het om minder angstig te zijn en meer te profiteren van opportuniteiten die zich voordoen (bv., jagen op grote dieren, met allerlei risico’s van dien). In andere omgevingen is het dan weer adaptiever om meer angst te ervaren omdat er veel gevaren zijn (bv., voorzichtiger zijn in een omgeving met veel roofdieren). Met andere woorden is er een trade-off verbonden aan het ervaren van angst: wanneer je veel angst ervaart loop je minder gevaar, maar ben je ook geneigd om minder risico te nemen waardoor je soms beloningen misloopt. En wanneer je weinig angst ervaart durf je meer risico te nemen, met de hieraan gekoppelde gevaren en beloningen. Deze trade-off in het evolutionaire voordeel van angst heeft wellicht wisselende voordelen gegeven aan individuen met verschillende neigingen tot het ervaren van angst doorheen de evolutionaire geschiedenis van mensen, wat nu resulteert in aanzienlijke variatie in angstigheid tussen mensen.

Kunnen angsten ook worden aangeleerd?

Angsten zijn grotendeels, maar niet alleen maar evolutionair bepaald. Ook onze leergeschiedenis heeft een invloed op onze angsten. Zo zullen sommige mensen angst ontwikkelen voor autorijden na een auto-ongeluk, desondanks dat auto’s niet bestonden en dus ook geen gevaar inhielden tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Ook andere angsten zoals angst voor honden, tandartsen en wespen kunnen worden aangeleerd na een pijnlijke beet, behandeling of steek. Angsten kunnen dus zeker het resultaat zijn van leerervaringen tijdens de kindertijd of later in het leven (6). We kunnen zelfs angst aanleren door het observeren van anderen of via verbale informatie (7–9). Zo weten bijvoorbeeld bijna alle kinderen dat ze niet een warme kookplaat mogen aanraken, zonder dat ze dit ooit zelf hebben ervaren of dat hiervoor specifieke genen zijn geselecteerd doorheen de evolutionaire geschiedenis.

Ondanks de bijdrage van leerervaringen is de invloed hiervan niet compleet evenredig met de invloed van evolutionaire aanpassing op angsten. Spinnenfobie, slangenfobie en hoogte-angst komen veel vaker voor dan angst voor roken, zwaarlijvigheid en onveilige seks, ondanks uitgebreide informatiecampagnes om mensen de gevaren te laten inzien gelinkt aan sigaretten, ongezond voedsel of seksueel overdraagbare ziekten. Wij blijven als mensen dus vooral sterk geneigd zijn om angst te hebben voor dingen die een gevaar inhielden tijdens onze evolutionaire geschiedenis. Het is dus zeker mogelijk om angsten aan te leren, maar een groot deel van onze angsten is evolutionair bepaald.

Angst en bevriezen

Een reactie die soms optreedt bij onmiddellijk dreigend gevaar, zoals een auto die plots op jou afrijdt, is ‘bevriezen’. Bij deze reactie kunnen de spieren verlamd of net hyper-gespannen aanvoelen waardoor het voelt alsof het onmogelijk is om te kunnen bewegen. Ook daalt vaak de ademhaling en de harstslag, en is er een vernauwing van de bloedvaten. Deze reactie komt voor bij meerdere diersoorten en heeft wellicht het doel om jachtdieren, waarvan de ogen gericht zijn op het detecteren van bewegingen, ‘blind’ te maken voor onze aanwezigheid (10,11). Daarnaast helpt deze reactie om zuurstof te besparen en minder bloed te verliezen bij een eventuele verwonding. Echter helpt deze reactie in andere situaties niet zoveel, zoals wanneer er een auto op je komt afgereden of wanneer iemand agressief gedrag vertoont. Opnieuw toont deze ‘bevriezingsreactie’ aan hoe onze evolutionaire geschiedenis ons gedrag beïnvloedt en hoe dit niet altijd goed is afgestemd op situaties in de moderne omgeving.

Bevriezen komt ook vaak voor bij seksueel geweld, waarbij bijvoorbeeld een vrouw zich verlamd kan voelen wanneer zij seksueel wordt aangerand. Het voorkomen van bevriezing bij seksueel geweld is gelinkt aan het ervaren van meer schuldgevoelens (bv., “ik heb mezelf niet verdedigd”) en een verhoogd risico op het ontwikkelen van post-traumatische stressstoornis (12). Deze schuldgevoelens zijn echter onterecht omdat bevriezing bij direct gevaar een onvrijwillige evolutionaire reflex is. Kennis over de evolutionaire oorsprong van onze reacties kan dus helpen om onnodige schuld- en schaamtegevoelens en sociaal stigma te voorkomen.

Angst en walging

Een emotie die nauw gerelateerd is aan angst is walging. Bij walging lokken bepaalde zaken of situaties een sterke weerzin en fysiologische reacties uit (bv., zelf de neiging krijgen tot overgeven wanneer je iemand anders ziet overgeven). Verschillende onderzoeken hebben gevonden dat walging een grote rol lijkt te spelen bij verschillende angststoornissen zoals bij spinnenfobie, naaldenfobie en trypofobie (angst voor kleine gaten) (13). Daarnaast heeft walging vaak ook een motiverende rol bij obsessief-compulsieve stoornissen, zoals obsessief schoonmaken.

Net zoals angst lijkt walging ook een evolutionair beschermingsmechanisme te zijn. Maar terwijl bij angst de dreiging typisch gerelateerd is aan fysiek gevaar (bv., van een hoogte vallen) is bij walging de dreiging gerelateerd aan besmetting door ziekteverwekkers (bv., virussen, bacteriën of schimmels) (14). Evolutionair gezien is het adaptief om contact met mogelijke ziektedragers (bv., uitwerpselen, bloed en insecten) te vermijden om zo besmetting te voorkomen en de gezondheid te beschermen. De gedragspatronen geactiveerd door walging (bv., overgeven of vermijden van walgende dingen) helpen om ziekteverwekkers te verwijderen uit het lichaam of te voorkomen dat deze in het lichaam terecht komen. Net zoals bij angst kan ook walging disproportioneel zijn aan het gevaar, wat nadelige neveneffecten oplevert en daardoor kan gezien worden als een psychologische stoornis. Zo wassen bijvoorbeeld sommige mensen met smetvrees hun handen dusdanig vaak dat de huid beschadigd raakt en lopen daardoor net meer risico op infecties door schimmels en bacteriën (15).

Het behandelen van angsten

Een effectieve manier om angststoornissen te behandelen is blootstellingstherapie (of: exposure therapie). In deze therapie worden mensen met een bepaalde angst systematisch blootgesteld aan hetgeen waarvoor ze angstig zijn. Bijvoorbeeld moet een patiënt met een fobie voor spinnen gradueel meer uitdagende stappen zetten, zoals het kijken naar een spin, het staan naast een terrarium met een spin, het stoppen van een hand in het terrarium, het vasthouden van een spin met handschoenen en het vasthouden van een spin zonder handschoenen. Het idee achter blootstellingstherapie is dat patiënten met fobieën of andere angsten op deze manier hun angsten uitdagen en onrealistische verwachtingen kunnen ontkrachten (bv., dat de spin zal opspringen). Blootstellingstherapie is erg effectief gebleken voor de behandeling van verschillende angststoornissen, zoals specifieke fobieën, sociale angst en paniekstoornis (16). Zo is het mogelijk dat mensen met een fobie na zelfs één sessie van blootstellingstherapie een aanzienlijke verbeteringen rapporteren van hun klachten, of zelfs helemaal vrij zijn van angst.

Helaas is het zo dat veel mensen met angststoornissen blootstellingstherapie vermijden omdat deze als onaangenaam wordt ervaren. Begrijpelijkerwijs vinden veel mensen met angsten het niet fijn om te moeten worden blootgesteld aan hetgeen waarvoor ze angst hebben. Dit levert veel stress op en dit is dan ook een belangrijke beperking van blootstellingstherapie. Het vermijden van blootstellingstherapie kan deels overkomen worden door het aanbieden van gevreesde objecten of situaties in Virtual Reality of door imaginaire exposure (i.e., het inbeelden van angstige situaties of objecten). Op deze manier kan blootstellingstherapie dragelijker worden gemaakt en kunnen meer mensen met angsten profiteren van deze effectieve behandeling. Ook deze manier van blootstellingstherapie aanbieden lijkt effectief te zijn voor het verminderen van angsten (17).

De effectiviteit van therapieën voor angst toont dat we op basis van leerervaringen evolutionair geprogrammeerde angsten zoals voor spinnen, slangen of hoogtes kunnen overkomen. Het is dus niet zo dat een bepaalde evolutionaire neiging tot angst (of depressie of verslaving; zie de volgende blog posts) onvermijdelijk moet resulteren in angst (of depressie of verslaving). Door leerervaringen kunnen we deze evolutionaire neigingen overkomen of ermee leren omgaan, al kan dit uitdagend en onaangenaam zijn.

Waarom zijn we zo bang voor spinnen?

Ongeveer 5% van alle mensen heeft last van arachnofobie, oftewel angst voor spinnen. Vanuit evolutionair oogpunt is deze hoge prevalentie van angst voor spinnen vrij moeilijk te verklaren. Spinnen zijn namelijk niet erg gevaarlijk voor mensen. Er zijn slechts enkele spinnen die voldoende gif hebben om mensen te kunnen doden. Deze spinnen komen ook enkel voor in een aantal specifieke gebieden en het is uitzonderlijk dat zij mensen bijten (tenzij ze toevallig in je schoen zitten). Ook tijdens onze evolutionaire geschiedenis waren spinnen geen groot gevaar voor mensen. Daarom blijft het onduidelijk waarom mensen zo vaak bang zijn voor spinnen.

Een mogelijke verklaring is dat spinnen een aantal kenmerken combineren welke ervoor zorgen dat mensen bang zijn voor spinnen: 1) Zij komen vrij vaak voor in onze omgeving (o.a., in huis), waardoor we vaker met hen worden geconfronteerd en we dus ook meer last kunnen hebben wanneer we angst hebben voor spinnen. 2) Ze hebben fysieke overeenkomsten en zijn evolutionair gerelateerd aan schorpioenen, die wel gevaar inhouden voor mensen (18). 3) Spinnen hebben een aantal anatomische kenmerken zoals acht poten en grote cheliceren (gifkaken), wat ervoor zorgt dat ze worden gepercipieerd als heel bewegelijk en gevaarlijk. Het is wellicht door deze toevallige combinatie van eigenschappen dat spinnen zoveel angst uitlokken, desondanks dat ze vanuit evolutionair oogpunt weinig direct gevaar voor mensen inhielden.

Conclusie: Het evolutionaire nut van angst  

Angst is een heel nuttige emotie. Het helpt ons letterlijk om in leven te blijven en is daarom van groot evolutionair belang. Maar helaas is bij heel wat mensen angst te sterk uitgesproken en zijn we in een moderne omgeving vooral bang voor zaken die weinig direct gevaar inhouden (bv., spinnen). Deze paradoxale aspecten van angst kunnen we het beste begrijpen vanuit een evolutionair psychologisch oogpunt. Gelukkig zijn er effectieve behandelingen zoals blootstellingstherapie beschikbaar om een teveel aan angst succesvol tegen te gaan.

Referenties

1.          Poulton R, Menzies RG. Non-associative fear acquisition: a review of the evidence from retrospective and longitudinal research. Behav Res Ther [Internet]. 2002 Feb;40(2):127–49. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0005796701000456

2.          Marks I fM., Nesse RM. Fear and fitness: An evolutionary analysis of anxiety disorders. Ethol Sociobiol [Internet]. 1994 Sep;15(5–6):247–61. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/0162309594900027

3.          ten Have M, Tuithof M, van Dorsselaer S, Schouten F, Luik AI, de Graaf R. Prevalence and trends of common mental disorders from 2007‐2009 to 2019‐2022: results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS), including comparison of prevalence rates before vs. during the COVID‐19 pandemic. World Psychiatry [Internet]. 2023 Jun 9;22(2):275–85. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/wps.21087

4.          Pinker S. The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined. Viking Books; 2011.

5.          Rosling H. Factfulness: Ten Reasons We’re Wrong About the World – and Why Things Are Better Than You Think. Flatiron Books; 2018.

6.          Beckers T, Hermans D, Lange I, Luyten L, Scheveneels S, Vervliet B. Understanding clinical fear and anxiety through the lens of human fear conditioning. Nat Rev Psychol [Internet]. 2023 Feb 16;2(4):233–45. Available from: https://www.nature.com/articles/s44159-023-00156-1

7.          Rachman S. The conditioning theory of fear-acquisition: a critical examination. Behav Res Ther [Internet]. 1977 Jan;15(5):375–87. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/612338

8.          Mertens G, Boddez Y, Sevenster D, Engelhard IM, De Houwer J. A review on the effects of verbal instructions in human fear conditioning: Empirical findings, theoretical considerations, and future directions. Biol Psychol [Internet]. 2018 Sep;137:49–64. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0301051118305179

9.          Gerull FC, Rapee RM. Mother knows best: effects of maternal modelling on the acquisition of fear and avoidance behaviour in toddlers. Behav Res Ther [Internet]. 2002 Mar;40(3):279–87. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11863238

10.        Bracha HS. Freeze, Flight, Fight, Fright, Faint: Adaptationist Perspectives on the Acute Stress Response Spectrum. CNS Spectr [Internet]. 2004 Sep 7;9(9):679–85. Available from: https://www.cambridge.org/core/product/identifier/S1092852900001954/type/journal_article

11.        Hagenaars MA, Oitzl M, Roelofs K. Updating freeze: Aligning animal and human research. Neurosci Biobehav Rev [Internet]. 2014 Nov;47:165–76. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0149763414001869

12.        Rubin DC, Bell CF. Tonic immobility (freezing) during sexual and physical assaults produces stronger memory effects than other characteristics of the assaults. Memory [Internet]. 2023 May 28;31(5):678–88. Available from: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/09658211.2023.2188642

13.        Cisler JM, Olatunji BO, Lohr JM. Disgust, fear, and the anxiety disorders: A critical review. Clin Psychol Rev. 2009 Feb;29(1):34–46.

14.        Oaten M, Stevenson RJ, Case TI. Disgust as a disease-avoidance mechanism. Psychol Bull. 2009;135(2):303–21.

15.        Åkerlund S, Seifert O, Assarsson J, Gulin-Jerkovic S. Significant Association Between Obsessive-Compulsive Disorder And Atopic Dermatitis – A Retrospective Population-Based Case-Control Study. Dermatol Pract Concept [Internet]. 2023 Jan 31;e2023053. Available from: https://dpcj.org/index.php/dpc/article/view/2558

16.        Telch MJ, Cobb AR, Lancaster CL. Exposure Therapy. In: Emmelkamp P, Ehring T, editors. The Wiley Handbook of Anxiety Disorders [Internet]. Wiley; 2014. p. 715–56. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/9781118775349.ch35

17.        Powers MB, Emmelkamp PMG. Virtual reality exposure therapy for anxiety disorders: A meta-analysis. J Anxiety Disord [Internet]. 2008 Apr;22(3):561–9. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S088761850700103X

18.        Frynta D, Janovcová M, Štolhoferová I, Peléšková Š, Vobrubová B, Frýdlová P, et al. Emotions triggered by live arthropods shed light on spider phobia. Sci Rep [Internet]. 2021 Nov 15;11(1):22268. Available from: https://www.nature.com/articles/s41598-021-01325-z