Categorie archief: Geen categorie

Vijf psychologische reflexen

Reflexen zijn snelle maar rigide reacties op specifieke prikkels in de omgeving. Mensen hebben verschillende reflexen zoals de kniepeesreflex, de hoestreflex en de valreflex. Deze reflexen zijn van evolutionair belang om ons te helpen snel onze balans te herstellen, te voorkomen dat we stikken of om verwondingen bij een val te beperken bij een val. Soms wordt er gedacht dat reflexen enkel een klein deel van ons (motorisch) gedrag bepalen. Maar verrassend genoeg hebben mensen een vrij uitgebreid repertoire aan reflexen om snel te reageren op verschillende prikkels in de omgeving, welke vaak complexer zijn dan simpele motorische reacties. In deze blog bespreek ik vijf ‘psychologische reflexen’ en hun (speculatieve) evolutionaire functie.

De schrikreflex

Eén bekende reflex die vaak in psychologische laboratoria wordt onderzocht is de schrikreflex. Hierbij springen mensen een klein beetje op en zetten hun spieren schrap bij het horen van een onverwachts (luid) geluid (bv., een luide knal). Vaak ook knipperen mensen met hun ogen bij deze reflex. Deze reactie ontplooit zich over een tijdspanne van 80-300 milliseconden en is daardoor bijzonder snel. De functie van deze reflex is om het lichaam te helpen reageren op een plotse impact en de ogen te beschermen. Wanneer mensen zich angstig voelen is deze reflex sterker uitgesproken. Dat is een evolutionaire nuttige aanpassing van de schrikreflex, want dit zorgt ervoor dat we sneller kunnen reageren in mogelijk bedreigende situaties. Bij mensen die last hebben van post-traumatische stressstoornis (bv., bij soldaten na een gevechtsmissie) is de schrikreflex ook vaak sterker aanwezig, wat wijst op hun continu verhoogde alertheid.

Nerveuze lach

In ongemakkelijke of bedreigende situaties kunnen mensen soms een nerveuze lach vertonen. Hierbij worden de kaken opgespannen en de tanden ontbloot, maar de gelaatsuitdrukking is minder ontspannen dan bij een normale lach en komt hierdoor minder natuurlijk over. Het is niet helemaal duidelijk wat de evolutionaire functie is van een nerveuze lach. Mogelijks is het een automatische deceptiestrategie om nervositeit niet te tonen. Of mogelijks is de functie van de nerveuze lach om de tanden te ontbloten, wat bij sommige apensoorten een signaal van intimidatie is naar tegenstanders. Wat ook de evolutionaire functie is van een nerveuze lach, het is duidelijk dat het een sterke en onvrijwillige psychologische reflex is welke professionele pokerspelers er soms toe dwingt om anti-angstmedicatie te nemen.

Bron: wr heustis - Pexels

Kippenvel krijgen

Een andere reflex waarvan de evolutionaire functie bij mensen niet helemaal duidelijk is is kippenvel krijgen. Hierbij gaan de haren op de huid rechtopstaan en lijkt hierdoor een beetje op de huid van een geplukte kip. Deze reflex komt vaak voor wanneer mensen het koud hebben. Het rechtopstaan van de haren bij koude helpt om de warme lucht die van ons lichaam afkomt beter vast te houden. Maar ook bij emotionele ervaring zoals tijdens meeslepende muziek, een romantische film of een indrukwekkend betoog kunnen mensen soms kippenvel krijgen. De reden waarom dit gebeurt is niet helemaal duidelijk. Bij andere dieren is het rechtopstaan van de haren soms een intimidatiesignaal om zo groter te lijken (zoals bijvoorbeeld bij honden). Bij mensen is het echter niet helemaal duidelijk wat het evolutionaire nut is van deze reflex bij sterke emoties.

Bron: Wikipedia

Zuigreflex bij baby’s

Pasgeboren baby’s hebben vele verschillende reflexen zoals de grijpreflex en de zuigreflex, die later in het leven weer verdwijnen. De zuigreflex helpt om de borstvoeding vlot te laten verlopen en heeft dus een duidelijke evolutionaire functie. Baby’s kunnen ook vaak succesvol worden getroost met een fopspeen. Verder lokt borstvoeding weer een andere reflex uit bij de moeder: het resulteert in het vrijkomen van het hormoon oxytocine. Dit hormoon helpt bij het verder op gang brengen van de borstvoeding (toeschietreflex) en het vormen en versterken van de emotionele band tussen de moeder en baby. De zuigreflex lokt dus een hele reeks aan reflexen en hormonale veranderingen uit bij het kind en bij de moeder, wat een belangrijke rol speelt in het vormen van de ouder-kindband en de verdere ontwikkeling.

Angst voor slangen

Een laatste ‘reflex’ bij mensen is angst voor slangen. Reflex staat in de vorige zin tussen haakjes omdat er in tegenstelling tot de voorgaande reflexen geen heel duidelijk observeerbare motorische reactie aanwezig is. Wel is het zo dat angst voor slangen een vaak voorkomend en onvrijwillig gedragspatroon is bij mensen, waardoor het in brede zin kan geclassificeerd worden als een reflex. Verder is deze reflex bij andere dieren duidelijker zichtbaar, zoals bij katten die wegspringen wanneer ze een komkommer verwarren met een slang (zie onderstaande filmpje).

Andere reflexen en het aanleren van ‘reflexen’

Mensen hebben nog veel andere psychologische reflexen dan de bovengenoemde vijf reflexen, zoals pijn ervaren wanneer je je been breekt, seksuele opwinding bij het zien van een aantrekkelijk persoon of hongergevoelens bij het ruiken van lekker eten. In de taal van één van de bekendste psychologen en fysiologen, namelijk Ivan Pavlov, worden een been breken, een aantrekkelijk persoon zien of lekker eten ruiken ongeconditioneerde stimuli genoemd. Dit wil zeggen dat deze stimuli onvoorwaardelijk een reactie uitlokken zoals pijn, opwinding en hongergevoelens, net zoals andere reflex-prikkels dit doen.

Pavlov heeft echter ook aangetoond dat we door middel van conditionering ook ‘reflexen’ kunnen aanleren voor andere stimuli, zoals het krijgen van hongergevoelens bij het horen van een bel nadat deze bel consequent samen aangeboden is geweest met lekker eten. In de taal van Pavlov wordt de bel een geconditioneerde stimulus genoemd, omdat het horen van een bel pas een reactie uitlokt nadat deze herhaaldelijk samen aangeboden is geweest met lekker eten (m.a.w., geconditioneerd is geweest). Via conditionering leren mensen ‘reflexen’ aan voor veel verschillende soorten van prikkels, zoals het blij worden bij het horen van het geluid van de ijscoman, het automatisch lezen van geschreven letters en het misselijk worden bij het ruiken van specifiek voedsel na een voedselvergiftiging (Domjan, 2005; Pavlov, 1927).

Conclusie: Mensen hebben veel onvrijwillige reflexen

Uit de bovengenoemde voorbeelden blijkt dat mensen heel wat onvrijwillige reacties (‘reflexen’) hebben bij verschillende prikkels. Deze zijn vaak aangeboren, maar kunnen ook soms aangeleerd zijn via conditionering. Aangeboren reflexen hebben zich doorheen onze evolutionaire geschiedenis ontwikkeld en bepalen meer van ons gedrag dan dat we soms denken. Dat is maar goed ook: Bij veel reflexen is het net van belang om snel en efficiënt te kunnen reageren zonder al te veel na te denken. Het is namelijk beter om zonder na te denken iets te vaak weg te springen van een komkommer of een tak in het gras dan om éénmalig niet weg te springen bij een echte slang.

Mensen (en vele andere dieren) hebben echter ook de capaciteit tot het aanleren van nieuw gedrag via conditionering en andere leer-procedures. Dit geeft ons de mogelijkheid om efficiënt te kunnen reageren op veel verschillende prikkels, ook diegene die geen grote evolutionaire rol hebben gespeeld. Ook bij aangeleerd gedrag is het van belang dat dit gedrag snel en efficiënt wordt vertoond (zoals bv. het wegrennen bij een grommende hond nadat je bent gebeten geweest). Daarom dat we ons ook vaak niet volledig bewust zijn van aangeleerde ‘reflexen’, aangezien het aangeleerde gedrag vaak automatisch plaatsvindt. Echter is het voor therapie soms belangrijk om bewust te worden van deze (aangeleerde) gedragspatronen omdat ze soms tot problemen leiden en kunnen doorbroken worden door bewust andere gedragingen uit te proberen (bv., niet wegrennen van rustige honden, maar net over jouw angst voor honden heen proberen komen).

Referenties

Domjan, M. (2005). Pavlovian conditioning: A functional perspective. Annual Review of Psychology56(1), 179-206.

Pavlov, I.P. (1927). Conditioned reflexes; an investigation of the physiological activity of the cerebral cortex. (Translated and edited by G.V. Anrep) Oxford U.P., Humphrey

Blog 10 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Hoe kan evolutionaire psychologie helpen om mentaal welzijn te verbeteren?

Doorheen deze reeks aan blogposts over evolutionaire psychologie hebben we gezien dat onze hersenen en emoties sterk zijn beïnvloed door onze evolutionaire geschiedenis. Dit heeft ons voor een hele lange tijd grote voordelen opgeleverd. Maar in moderne maatschappijen met snel veranderende technologieën ontstaat er soms een mismatch tussen onze genen en de omgeving, wat resulteert in problemen zoals angst, depressie, verslavingen of andere aanpassingsproblemen. In deze blog kijken we naar een aantal mogelijke oplossingen om beter met deze mismatch om te gaan zoals het aanpassen van omgevingen, psychotherapie en betere regelgeving.

Aanpassen van omgevingen in plaats van psycho-medicatie

Kennis over de evolutionaire oorsprong van veel voorkomende psychische problemen helpt om effectievere oplossingen te vinden en ineffectieve behandeling te vermijden. Momenteel worden veel psychische stoornissen behandeld met medicatie: antidepressiva, anti-angst medicatie (bv., beta-blokkers), methylfenidaat, anti-psychotica en meer recent ook psychodelica voor de behandeling van trauma. Desondanks dat deze medicatie heel erg behulpzaam is voor mensen die leiden aan ernstige varianten van psychische stoornissen, is medicatie vaak niet nuttig voor een grote groep van patiënten met mildere symptomen. Specifiek zijn psychofarmaca vooral effectief in het onderdrukken van een aantal ongewenste symptomen (bv., depressieve gevoelens), maar hebben ook vaak bijwerkingen en ontwenningsverschijnselen (bv., afvlakking van gemoed of nachtmerries). Het onderliggende probleem, met name een mismatch tussen genen en de omgeving, wordt niet aangepakt met medicatie.

In plaats van het gebruiken van medicatie zouden psychiaters, psychologen, sociologen, pedagogen en beleidsmakers meer moeten nadenken over hoe de omgeving kan worden vormgegeven om de evolutionaire mismatch te verminderen. Zo kunnen klaslokalen stimulerender en actiever worden gemaakt voor jonge kinderen en jongens zodanig dat hun gedrag niet meer wordt weggezet als het gevolg van ADHD. Op een gelijkaardige manier kunnen bedrijven en andere organisaties meer nadenken op de manier waarop ze hun personeel belonen en evalueren, waarbij de nadruk minder ligt op individuele competitie en meer op het belonen van teams (zie blog 6). En wat betreft depressie is het van belang om in een hyper-individualistische en geografisch mobiele samenleving mensen manieren te bieden waarin ze zich onderdeel kunnen voelen van een groep (zie blog 2).

Reguleren van fastfood, gokken, sociale media en porno

Een andere manier van het aanpassen van omgevingen is het reguleren van toegang tot bepaalde zaken, met name zaken die in blog 4 werden beschreven als verslavend (bv., fastfood, gokken, sociale media, online shoppen, gamen, enzovoort). In heel veel landen is gokken verboden omdat het grote sociale problemen met zich meebrengt. Ook zijn verschillende middelen die momenteel worden gezien als harddrug (o.a., heroine en cocaine) verboden, desondanks dat zij een lange tijd legaal konden worden gebruikt en zelfs voorgeschreven werden als medicatie (bv., cocaïne tot in ~1920 in een aantal landen) voor psychologische aandoeningen zoals angst en depressie. Echter werden deze middelen na verloop van tijd wereldwijd verboden omwille van de negatieve gezondheids- en maatschappelijke effecten. In de toekomst zal er wellicht ook meer regulering moeten komen voor recente, maar schadelijke consumptieproducten zoals sociale media, porno en fastfood.

De wijdverspreide toegang tot fastfood, internetporno en sociale media zijn fenomenen van slechts enkele tientallen jaren of recenter. Daarom is er nog niet zoveel bekend over de langetermijngevolgen van deze zaken, maar inmiddels komt het onderzoek hiernaar langzaamaan op gang. Intensief bewerkt vlees zoals in hamburgers werd in 2015 toegevoegd aan de lijst van kankerverwekkende stoffen door de Wereldgezondsheidorganisatie (WHO) op basis van meer dan 800 wetenschappelijke studies (1). Ook wat betreft sociale media komen er langzaam meer onderzoeken welke erop wijzen dat het gebruik negatief gelinkt is aan slaapkwaliteit en mentale gezondheid, zeker bij jongeren (2). Ook rond porno is er steeds meer onderzoek waarbij gebruik wordt gelinkt aan minder goede romantische en seksuele relaties (3).

Als gevolg van deze toenemende kennis rond de negatieve gevolgen van om fastfood, internetporno en sociale media worden er langzaamaan ook meer reguleringen ingevoerd. Zo wordt een minimumleeftijd overwogen voor het gebruik van sociale media en worden er belastingen ingevoerd voor fastfood. Zulke reguleringen kunnen helpen om de evolutionaire mismatch tussen deze extreem doorontwikkelde surrogaten en onze evolutionaire voorkeuren te verminderen. Tegelijkertijd moet er worden opgelet dat de regelgeving niet doorslaat in morele paniek. Het is van belang om ervoor te zorgen dat mensen kunnen worden voorzien in hun evolutionair ontwikkelde behoeften op een manier die ook bijdraagt aan hun lange termijn gezondheid. Daarom is doordachte regelgeving voor de producenten van deze consumptiemiddelen van groot belang. Zo hoeft bijvoorbeeld sociale media niet compleet verboden te worden, maar moeten er toepassingen komen om gemanipuleerde beelden, foutieve informatie en misleidende reclame te verwijderen.

Psychotherapie als antwoord op de evolutionaire mismatch

Doorheen de verschillende blogposts werd ook al een aantal keer aangehaald hoe psychotherapie behulpzaam kan zijn bij verschillende stoornissen. Zo kan blootstellingstherapie helpen bij angststoornissen, kan activeringstherapie helpen bij depressie en kan het aanmoedigen van gezondere belonende gedragingen (bv., sport) helpen bij verslavingen. Deze interventies toegepast in psychotherapie kunnen perfect gekaderd worden binnen een evolutionair psychologisch perspectief. Specifiek kan psychotherapie helpen om patiënten inzicht geven over evolutionair aangepaste gedragspatronen (bv., angst, neerslachtigheid en jaloezie) die in een moderne omgeving niet altijd de meeste voordelen opleveren. De interventies toegepast in psychotherapie helpen om deze evolutionair onaangepaste gedragspatronen te veranderen (bv., vermijding doorbreken bij angststoornissen en nieuwe activiteiten ondernemen bij depressie). Anders dan psychofarmaca focust psychotherapie dus meer direct op de oorzaken en het veranderen van problematische gedrag, in plaats van het onderdrukken van symptomen.

Het vinden van omgevingen die goed bij jouw genen/persoonlijkheid/voorkeuren past

Zoals verteld in blog 3 is variatie in eigenschappen, waaronder persoonlijkheidseigenschappen, een cruciaal onderdeel van evolutionaire aanpassing en selectie. Sommige mensen zijn van nature meer angstig, assertief, empathisch of gevoelig aan de belonende effecten van drugs. Heel wat onderzoek wijst erop dat deze persoonlijkheidseigenschappen inderdaad een genetische basis hebben en vrij stabiel zijn doorheen het leven (4, 5). Het veranderen van deze persoonlijkheidseigenschappen is moeilijk (maar niet onmogelijk door middel van bijvoorbeeld schematherapie of intense levensgebeurtenissen) (6). Daarom is het voor iedereen van ons van belang om omgevingen op te zoeken die goed passen bij onze persoonlijkheidseigenschappen. Wanneer je veel stimulatie en prikkels nodig hebt, dan is het beter om een baan als agent of brandweerman te vinden dan als bibliothecaris. Wanneer je houdt van weinig prikkels en veel rust dan is het beter om boeken te lezen als hobby dan naar festivals te gaan. En wanneer je gevoelig bent aan beloningen en verslavingen dan is het beter om die beloningen te halen uit zaken die op lange termijn niet slecht zijn voor jouw gezondheid (bv., via sport). Hierbij kan psychodiagnostiek helpen om meer inzicht te krijgen in jouw eigen persoonlijkheid, voorkeuren en interesses.

Wetenschap en open discussie

Zoals beschreven in blog 3 hebben mensen omwille van hun grote hersenen de mogelijkheid om flexibel te leren over hun omgeving. Toch zijn mensen op allerlei manieren beperkt om goed over hun omgeving te leren: We zijn niet in staat om alle relevante informatie waar te nemen (bv., zwaartekracht en UV-straling), we maken heel moeilijk de connectie tussen oorzaak en langetermijngevolgen (bv., roken en kanker) en we hebben een beperkte aandacht voor dingen die niet direct relevant voor ons zijn (bv., de rol van hygiëne in publieke gezondheid). Als gevolg van deze beperking in het correct percipiëren van de wereld zijn wij sterk geneigd om verklaringen aan fenomenen te geven volgens oorzaken die wij kennen en intuïtief aanvoelen: Onweer is het gevolg van een man in de lucht met bliksemstralen, ziektes zijn het gevolg van slechte geesten, vaccins zijn gevaarlijk omdat een niet-natuurlijke stof het lichaam wordt ingespoten en de wereld is vlak omdat deze vlak lijkt. De wetenschap biedt ons allerhande instrumenten en methoden om aan deze beperkingen van ons denken te ontkomen: het ontwikkelen van meetapparatuur, het opstellen van lange-termijn experimenten en het ontwikkelen en verbeteren van theorieën door open discussie.

Via de continue toename van kennis over onszelf en hoe we worden beïnvloed door de omgeving kunnen we betere omgevingen creëren die maximaal bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van zoveel mogelijk mensen. Kennis over de werking van evolutionaire psychologie heeft hier een belangrijke rol in. Wanneer we beter begrijpen welke processen onze emoties en gedragingen beïnvloeden dan kunnen we betere omgevingen creëren en therapieën ontwikkelen die gezondheid en welzijn maximaliseren.

Open markten en democratie

Eén van de grootste inzichten vanuit de evolutionaire en sociale psychologie is dat mensen groepsdieren zijn. Wij worden enorm gedreven door sociale beloning en motivatie om deel uit te maken van een groep (zie ook blog 2 en blog 9). Dit levert grote voordelen op zoals bescherming, samenwerking en het vinden van een potentiële partner. Maar er zijn ook gevaren verbonden aan deze neiging tot groepsgevoeligheid: Risicogedragingen worden aangemoedigd in sommige groepen, overconsumptie wordt aangemoedigd door status zoeken en we hebben de neiging om de wereld in te delen in wij-zij tegenstellingen. Wanneer we ons in een groep bevinden kan dit leiden tot destructief gedrag wat we anders niet zouden vertonen, zoals huisvaders die veranderen in hooligans wanneer ze hun voetbalclub gaan supporteren. Daarom is het van belang om deze groepsgevoeligheid goed te kanaliseren.

Vanuit dit perspectief is de sterke opkomst van individualisering en consumptie-gerichte economieën sinds de Tweede Wereldoorlog een goede ontwikkeling geweest. Vergeleken met andere tijdsperiodes in de geschiedenis hebben deze ontwikkelingen gezorgd voor minder conflicten tussen groepen (bv., oorlogen) en een aanzienlijk hogere welvaart waarbij aan de basisbehoeftes van grote groepen mensen wordt voldaan (7, 8). Parlementaire kiessystemen zorgen ervoor dat groepen van mensen hun stem kunnen laten horen zonder dat ze hiervoor moeten overschakelen op geweld. Deze enorme vooruitgang wordt vaak over het hoofd gezien bij politieke discussies. In plaats daarvan gebruiken extreme partijen vaak bestaande, maar sterke verbeterde, problemen zoals ongelijkheid, armoede, seksisme en racisme om frustraties tussen groepen in de maatschappij aan te wakkeren (bv., tussen rijk en arm, mannen en vrouwen of allochtonen en autochtonen). Toch is het belangrijk om te realiseren op welke ongelofelijke schaal er vooruitgang is gemaakt op allerlei domeinen. Geweld, kindersterfte, extreme armoede en menselijk leed zijn wereldwijd een fractie van wat ze honderd jaar geleden waren (8). Dit is voor een belangrijk deel te danken aan de democratisering and het gebruik van open markten wereldwijd (9).

Conclusie: Evolutionaire psychologie als inspiratie voor het vergroten van welzijn

Doorheen deze reeks van blogposts werd het strikte biomedische model van psychologische stoornissen bekritiseerd. Volgens dit model worden psychologische stoornissen veroorzaakt door biologisch afwijkingen in de hersenen en moeten deze worden gecorrigeerd met psychomedicatie. Daarentegen beargumenteerde ik in mijn blogposts dat mentale stress en psychologische stoornissen voornamelijk worden veroorzaakt door een mismatch tussen genen en de omgeving. Hieruit volgt dat psychologische stoornissen voorkomen of verholpen kunnen worden door het aanpassen van de omgeving. Dit kan op allerlei manieren bereikt worden, zoals het aanpassen van regelgeving rond zaken zoals fastfood en gokken, het bijstellen van sociale normen rond wat psychologisch welzijn is (o.a., dat niet iedereen zich continu ‘blij’ hoeft te voelen), het gebruik van psychotherapie om evolutionair-gekleurde mispercepties te corrigeren of het beter inrichten van fysieke ruimtes (bv., ruimte voor beweging in scholen of meer groene zones in steden). Inzichten vanuit de evolutionaire psychologie kunnen inspireren om omgevingen optimaal af te stemmen op typisch menselijke gedragingen en emoties.

Referenties

1.          Bouvard V, Loomis D, Guyton KZ, Grosse Y, Ghissassi F El, Benbrahim-Tallaa L, et al. Carcinogenicity of consumption of red and processed meat. Lancet Oncol [Internet]. 2015 Dec;16(16):1599–600. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S1470204515004441

2.          Studer J, Marmet S, Wicki M, Khazaal Y, Gmel G. Associations between smartphone use and mental health and well-being among young Swiss men. J Psychiatr Res [Internet]. 2022 Dec;156:602–10. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S002239562200588X

3.          Szymanski DM, Stewart-Richardson DN. Psychological, Relational, and Sexual Correlates of Pornography Use on Young Adult Heterosexual Men in Romantic Relationships. J Mens Stud [Internet]. 2014 Jan 1;22(1):64–82. Available from: https://journals.sagepub.com/doi/full/10.3149/jms.2201.64

4.          McCrae RR, Costa PT. The Stability of Personality: Observations and Evaluations. Curr Dir Psychol Sci [Internet]. 1994 Dec 23;3(6):173–5. Available from: http://journals.sagepub.com/doi/10.1111/1467-8721.ep10770693

5.          Rantanen J, Metsapelto R, Feldt T, Pulkkinen L, Kokko K. Long‐term stability in the Big Five personality traits in adulthood. Scand J Psychol [Internet]. 2007 Dec 19;48(6):511–8. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/j.1467-9450.2007.00609.x

6.          Bleidorn W, Hopwood CJ, Back MD, Denissen JJA, Hennecke M, Hill PL, et al. Personality trait stability and change. Personal Sci [Internet]. 2021 Jun 21;2. Available from: https://journals.sagepub.com/doi/full/10.5964/ps.6009

7.          Pinker S. The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined. Viking Books; 2011.

8.        Rosling H. Factfulness: Ten Reasons We’re Wrong About the World – and Why Things Are Better Than You Think. Flatiron Books; 2018.

9.        Acemoglu D, Robinson J. Why Nations Fail: The Origins of Power, Prosperity, and Poverty. Crown Business; 2012.

Blog 9 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Meer dan evolutie: Hoe status en sociale beloningen gedrag motiveren

Onze evolutionaire geschiedenis bepaalt voor een groot deel ons gedrag. Toch is de huidige omgeving en met name sociale beloningen (bv., bewondering, erkenning of sociaal aanzien door anderen) ook van groot belang om ons gedag te verklaren. Dit komt voort uit onze groepsgevoeligheid als mensen (zie ook blog 2). Voorbeelden van extreem gedrag dat gemotiveerd wordt door sociale beloning is het meerdere jaren studeren voor het behalen van een diploma of het vijfmaal bidden per dag als godsdienstig ritueel. Dit zijn beiden gedragingen die veel tijd en energie kosten, zonder dat zij direct bijdragen aan het doorgeven van genen. Echter indirect hebben deze gedragingen wel een evolutionaire functie omdat ze sociale status kunnen vergroten binnen een groep en op die manier kunnen bijdragen aan het vinden van een goede partner en reproductief succes. Maar soms kunnen deze sociale beloningen ook aanleiding geven tot problematisch gedragingen zoals verspillende luxe-consumptie of risicogedrag. In deze blog wordt verder uitgewerkt hoe sociale beloningen soms kunnen resulteren in schadelijk gedrag.

Groepsgevoeligheid en sociale beloningen

Sommige gedragingen die mensen doen, zoals bidden, studeren of topsport, zijn moeilijk te begrijpen vanuit evolutionair perspectief. Integendeel zelfs, in evolutionaire termen zijn dit kostelijke gedragingen omdat zij veel tijd en energie onttrekken aan het ultieme evolutionaire doel: het doorgeven van genen. Deze gedragingen kunnen pas goed begrepen worden wanneer we mensen bekijken als een groepsdier. Veel gedragingen leiden niet tot onmiddellijke beloningen in een omgeving (bv., sport kost energie), maar dragen bij aan het verkrijgen van een hogere status binnen de groep (bv., topsporters hebben veel sociaal aanzien). Deze hogere status is dan weer voordelig om vlotter toegang te hebben tot evolutionair belangrijke zaken zoals partners en bondgenoten. Andere voorbeelden van kostelijke gedragingen die kunnen leiden tot een hogere sociale status (of deze status tentoonspreiden) binnen een groep zijn dure kleding, juwelen, auto’s, reizen, vrijwilligerswerk, filantropie, tattoos, lezen, muziek maken en kunst.

Het zoeken naar status en sociale beloningen kan een sterke invloed uitoefenen op ons gedrag. Dusdanig zelfs dat het aanleiding geeft tot soms absurde gedragingen die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor het individu of de samenleving. In deze blog worden er een aantal van dit soort extreme gedragingen beschreven die niet alleen verklaard kunnen worden door evolutionaire aanpassing, maar vooral door sociale beloning en status. Maar eerst is het nodig om het belang van een sociale hiërarchie en sociale status uit te leggen.

Het evolutionaire nut van sociale hiërarchieën en status signaling

Mensen, net zoals vele andere groepsdieren, leven in groepen met een sociale hiërarchie. Deze sociale hiërarchie heeft een nut voor de groep, zoals het voorkomen van constant geweld en competitie voor toegang tot voedsel of partners. De groepsleden die hoger in de hiërarchie staan krijgen als eerste toegang tot deze zaken, wat wordt gerespecteerd door de groepsleden die lager in de hiërarchie staan. Deze rangorde kan soms worden betwist, zoals bijvoorbeeld wanneer jonge chimpansee mannetjes het alfa-mannetje uitdagen als leider. Maar zelfs wanneer het alfa-mannetje verslagen wordt komt er uiteindelijk telkens opnieuw een sociale hiërarchie omdat dit stabieler en veiliger is voor de groep dan een anarchie waarbij er continu competitie, conflict en geweld plaatsvindt over schaarse middelen (1).

Om te voorkomen dat er telkens opnieuw conflict ontstaat over de hiërarchie zullen groepsdieren zoals chimpansees, olifanten en mensen gebruik maken van “signaling” om hun status te tonen. Een welbekend voorbeeld is een gorilla die op zijn borst klopt en daarbij luid schreeuwt. Op deze manier signaleert deze gorilla dat hij sterk en gezond is, en dat het geen zin heeft voor rivalen om zijn status te proberen uitdagen (2). Dit heeft voordelen voor zowel het alfa-mannetje als de rivalen: bij beiden wordt risico op verwonding door onderlinge competitie vermindert zolang het status signaal als geloofwaardig wordt gezien. Status signalen hebben dus evolutionaire voordelen bij groepsdieren, inclusief mensen, omdat het onnodige competitie en geweld kan voorkomen. Andere voorbeelden van status signaling bij dieren zijn de staart bij een mannelijke pauw, het springen uit water door dolfijnen en het fluiten bij vogels.

Status signaling bij mensen, risicogedrag en overconsumptie

Ook mensen maken veel gebruik van signaling om hun status aan te tonen. Typische voorbeelden zijn competitiesport, risicogedrag (bv., te snel rijden) en luxe-consumptie (bv., merkkleding). Op deze manier kunnen mensen geloofwaardig aantonen dat zij fysiek gezond zijn, dat ze bereid zijn om grote risico’s te nemen en/of dat ze beschikken over veel middelen. Binnen deze specifieke gebieden kunnen mensen soms onderling steeds extremere competitie met elkaar aangaan om hun sociale positie aan te tonen, zoals steeds luxueuzere auto’s, horloges of handtassen kopen of net steeds gevaarlijker risicogedrag vertonen. Net zoals bij andere dieren heeft dit signaling gedrag bij mensen de functie om hun sociale positie binnen de groep te demonstreren of proberen verkrijgen.

Helaas kan signaling-gedrag soms nadelen opleveren voor de individuele persoon én vooral ook voor de bredere groep. Een extreem voorbeeld is het fenomeen “trofee-jagen”, waarbij “jagers” exotische dieren zoals giraffen, neushoorns of tijgers doden om hun financiële en sociale status aan te tonen. Dit heeft geleid tot het uitsterven van hele diersoorten, zoals bijvoorbeeld de witte neushoorn. Het aantonen van status door trofeejagers leidt dus tot grote negatieve gevolgen in biodiversiteit, waar hele ecosystemen (en ook mensen) last van hebben en nadelen van ondervinden. Maar signalering-gedrag hoeft niet altijd negatieve gevolgen te hebben voor de bredere groep. Een positief voorbeeld van status-signalering zijn wetenschappers die via continue competitie met elkaar (o.a., via het aanvragen van prestigieuze beurzen) op zoek gaan naar nieuwe inzichten, medicatie of technologieën die het leven van vele mensen kunnen verbeteren.

Religieus gedrag, status signaling en celibaat

Een ander voorbeeld van signalering-gedrag bij mensen dat bekrachtigd wordt door gekoppelde sociale beloningen is religieus gedrag. In evolutionaire termen is religieus gedrag niet direct adaptief: Het investeren van veel tijd in bidden of het lezen van religieuze teksten heeft weinig direct nut voor het doorgeven van genen aan een volgende generatie. Het is zelfs nadelig, aangezien het tijd en energie kost die zou kunnen gebruikt worden om een partner te vinden of voedsel te verzamelen. Maar indirect kan religieus gedrag belangrijke voordelen opleveren: Het verhoogt het sociale aanzien binnen de groep en kan daarbij bijdragen aan het vinden van een partner of het verkrijgen van meer (sociale) middelen.

Soms kan religieus gedrag leiden tot nog meer extreme vormen van evolutionair nadelige gedragingen. Zo kiezen priesters in de katholieke kerk ervoor om celibatair te leven. Dit gedrag heeft absoluut geen directe genetische voordelen voor het individu want dit houdt in dat zijn/haar genen niet worden doorgegeven aan een volgende generatie. Vanuit een evolutionair perspectief is het celibaat dan ook erg moeilijk te verklaren. Mogelijk brengt het celibaat bepaalde sociale voordelen met zich mee voor de familie van diegene die het celibaat aangaat. Zo lijkt het erop dat boeddhistische monniken in China die het celibaat aangaan gemiddeld gezien meer neefjes en nichtjes hebben dan andere personen, mogelijks doordat zij meer middelen hebben om hun familie te ondersteunen door hun sociale aanzien (3). Op deze manier kan, vanuit evolutionair oogpunt, extreem religieus gedrag zoals het celibaat toch een evolutionaire functie hebben via de voordelen die het oplevert voor de directe familie van de persoon die het gedrag vertoont.

Status, risicogedrag en het ‘Young Male Syndrome’

Sociale competitie en het zoeken van sociale status komt ook veel voor in jongerengroepen en subculturen, vooral voor jongeren tijdens de adolescentie waarbij het ontwikkelen van een eigen identiteit erg belangrijk is. Helaas kan dit ook aanleiding geven tot zelfdestructief gedrag en geweld. Voorbeelden hiervan zijn risicogedragingen (bv., overvallen plegen of drugs nemen) of ontgroeningsrituelen (bv., extreme dooprituelen bij studentenverenigingen). Bij jongens in de adolescentie heeft deze piek in risicogedrag tijdens de adolescentie zelfs een aparte term gekregen: Het Young Male Syndrome. Vooral tijdens de leeftijd van 15-35 jaar vertonen mannen sterk verhoogd risicogedrag zoals geweld, stunts, drugsgebruik en gokken (4). Opnieuw heeft dit gedrag de functie om een sociale status te communiceren binnen een groep of om status te verkrijgen. Het nemen van veel risico brengt status met zich mee omdat dit de fysieke gezondheid en/of de ‘durf’ van het individu aantoont. Maar deze onderlinge competitie kan aanleiding geven tot steeds gevaarlijkere situaties. Vooral bij jonge mannen zonder kinderen is het evolutionair belangrijk om status te krijgen om een partner te vinden. Het is dan ook niet verrassend dat vooral deze groep een sterk verhoogde prevalentie toont van risicogedrag.  

Sociale bekrachtiging en mentale stoornissen

Gezien de sterke invloed van sociale bekrachtigingen op het gedrag van mensen is het niet verbazend dat deze ook een grote rol kunnen spelen bij mentale stoornissen. Eén voorbeeld van een groep stoornissen waarbij sociale bekrachtiging een grote rol speelt zijn eetstoornissen. Zo kunnen extreem slanke vrouwen in reclames en op sociale media jonge vrouwen aanmoedigen om extreme diëten te volgen (6). Ook moeten in eetstoornisklinieken soms jonge patiëntes uit elkaar worden gehaald omdat ze elkaar aanmoedigen om nog meer en extremer te diëten, wat kan leiden tot ernstige ondervoeding en de daaraan gekoppelde gezondheidsproblemen (waaronder orgaanfalen). Anderzijds kunnen sociale beloningen ook ‘bigorexia’ (of ook spierdysmorfie of bigorexia nervosa genoemd) aanmoedigen, waarbij typisch (jonge) mannen overtuigd raken dat ze onvoldoende spiermassa hebben en dit proberen te bekomen met compulsief fitnessen en anabole steroïden (6).

Een andere extreme mentale stoornis waar sociale bekrachtiging een rol lijkt te spelen is zelfmoord. Vaak worden in zelfmoordstatistieken kleine stijgingen waargenomen in het aantal zelfmoorden na de zelfmoord van een beroemd persoon zoals Robin Williams en Tim Bergling (7). Er lijkt dus een effect te zijn van sociale beïnvloeding bij sommige zelfmoorden. Wellicht motiveren de vele uitingen van sympathie over de beroemdheid in de media het gedrag bij personen die al nadenken over zelfmoord.

Tenslotte worden sommige verslavingen sterk aangemoedigd door sociale bekrachtigingen. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is sociale media verslaving, waarbij sommige personen erg veel tijd gaan investeren in het maken van foto’s voor Instagram of het opstellen van Tweets voor het krijgen van ‘likes’ op sociale media. Maar ook bij verslavingen aan middelen lijken sociale bekrachtigingen een rol te spelen. Zo ontwikkelen drugs- en alcoholverslaving zich vaak initieel binnen jongerengroepen waarin het aanvaard en aangemoedigd wordt om drugs of alcohol te gebruiken (8).

Conclusie: Hoe sociale bekrachtiging schadelijk gedrag kan motiveren

Het gedrag van mensen als groepsdieren wordt sterk beïnvloedt door sociale bekrachtiging en status signaling. Dit kan soms aanleiding tot evolutionair moeilijk te verklaren gedragingen zoals het celibaat, risicogedrag, overconsumptie, eetstoornissen, verslavingen en zelfs zelfmoorden. Echter dragen deze gedragingen bij aan het verkrijgen van sociale status en daardoor indirect aan evolutionaire ‘fitness’. Het is nuttig voor individuen en samenlevingen om op de hoogte te zijn van hoe sterk sociale bekrachtiging en het zoeken naar status van invloed kunnen zijn op menselijk gedrag. Zo kunnen we sociale status toekennen aan gedragingen die een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij (bv., wetenschappelijk onderzoek of vrijwilligerswerk) en gedrag dat schadelijk is voor de samenleving, individuen of de natuur sterk afkeuren (bv., trofee-hunting, onrealistische schoonheidsidealen verheerlijken of overvloedige luxe consumptie).

Referenties

1.          Tibbetts EA, Pardo-Sanchez J, Weise C. The establishment and maintenance of dominance hierarchies. Philos Trans R Soc B Biol Sci [Internet]. 2022 Feb 28;377(1845). Available from: https://royalsocietypublishing.org/doi/10.1098/rstb.2020.0450

2.          Wright E, Grawunder S, Ndayishimiye E, Galbany J, McFarlin SC, Stoinski TS, et al. Chest beats as an honest signal of body size in male mountain gorillas (Gorilla beringei beringei). Sci Rep [Internet]. 2021 Apr 8;11(1):6879. Available from: https://www.nature.com/articles/s41598-021-86261-8

3.          Micheletti AJC, Ge E, Zhou L, Chen Y, Zhang H, Du J, et al. Religious celibacy brings inclusive fitness benefits. Proc R Soc B Biol Sci [Internet]. 2022 Jun 29;289(1977). Available from: https://royalsocietypublishing.org/doi/10.1098/rspb.2022.0965

4.          Wilson M, Daly M. Competitiveness, risk taking, and violence: the young male syndrome. Ethol Sociobiol [Internet]. 1985 Jan;6(1):59–73. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/016230958590041X

5.          Farsang P, Kocsor F. The Young Male Syndrome Revisited – Homicide Data from Hungarian and Australian Populations. Hum Ethol Bull [Internet]. 2016 Jun 30;31(2):17–29. Available from: http://ishe.org/2016-2/vol-312/the-young-male-syndrome-revisited-homicide-data-from-hungarian-and-australian-populations/

6.          Rantala MJ, Luoto S, Krama T, Krams I. Eating Disorders: An Evolutionary Psychoneuroimmunological Approach. Front Psychol [Internet]. 2019 Oct 29;10. Available from: https://www.frontiersin.org/article/10.3389/fpsyg.2019.02200/full

7.          Niederkrotenthaler T, Braun M, Pirkis J, Till B, Stack S, Sinyor M, et al. Association between suicide reporting in the media and suicide: systematic review and meta-analysis. BMJ [Internet]. 2020 Mar 18;m575. Available from: https://www.bmj.com/lookup/doi/10.1136/bmj.m575

8.          Read JP, Wood MD, Kahler CW, Maddock JE, Palfai TP. Examining the role of drinking motives in college student alcohol use and problems. Psychol Addict Behav [Internet]. 2003 Mar;17(1):13–23. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0893-164X.17.1.13

Blog 8 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en trauma

Post-traumatische stressstoornis (PTSS) is één van de weinige psychologische stoornissen waarbij de directe oorzaak van de symptomen onderdeel uitmaakt van de diagnose. Volgens criterium A in de DSM-5 moet er sprake zijn van “blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld” om PTSS te kunnen vaststellen. Dit verschilt van bijvoorbeeld depressie, waarbij de aanleiding van de depressie (bv., een ontslag) geen onderdeel is van de diagnose. Van PTSS kan dus verwacht worden dat deze stoornis sterk omgeving gestuurd is, in tegenstelling tot andere diagnoses waar genetisch kwetsbaarheid een grotere rol lijkt te spelen. Maar ook bij PTSS zijn genetische kwetsbaarheid en evolutionair aangepaste responsepatronen belangrijk om deze stoornis goed te kunnen begrijpen. Deze ideeën worden verder uitgewerkt in dit blog.

Trauma als het resultaat van een extreme omgeving

Doorheen de voorgaande blogposts hebben we gezien hoe evolutionaire neigingen (bv., tot angst, depressie of animistisch denken) aanleiding kunnen geven tot bepaalde stoornissen (bv., angststoornissen, depressie of schizofrenie), zeker wanneer deze neiging niet goed matcht met de omgeving (bv., wanneer er geen direct bedreigingen, zoals gevaarlijke spinnen, zijn). Daarbuiten had de omgeving in de eerdere blogposts veelal enkel een kleine rol voor het motiveren van het gedrag en kwam het gedrag meer vanuit de persoon (of specifieker: zijn/haar genen) zelf. Een uitzondering op dit verhaal zijn traumatische stoornissen, zoals post-traumatische stress stoornis, waarbij intense traumatische ervaringen met de omgeving een grote rol spelen in het verklaren van de klachten die mensen ervaren.

Bij traumatische stoornissen zoals post-traumatische stress stoornis (PTSS) is er sprake van een direct confrontatie met een traumatische gebeurtenis gerelateerd aan dood, ernstige verwonding of seksueel geweld. Deze traumatische ervaring kan resulteren in herbelevingssymptomen zoals flashbacks of nachtmerries, vermijding van bepaalde herinneringen of plekken verbonden aan het trauma, negatieve veranderingen in gemoed (bv., zelfbeschuldiging) en verhoogde stressreacties (bv., continu geïrriteerd voelen). Dit patroon van symptomen van PTSS kan lang aanhouden en een enorme impact hebben op het dagelijkse leven, zoals bijvoorbeeld het missen van werk doordat het openbaar vervoer wordt vermeden na een traumatische ervaring in een bus of geen relaties kunnen aangaan na slechte eerdere ervaringen.

Bij PTSS en andere traumatische stoornissen is er sprake van een ‘extreme’ omgeving (bv., bedreiging met een mes) welke bij een groot deel van alle mensen (in plaats van alleen mensen met specifieke genen) tenminste voor een korte periode PTSS-achtige klachten kan opleveren. Bij de andere stoornissen die we tot nu toe hebben besproken is er veelal sprake van een ‘normale’ omgeving (bv., het zien van een huisspin of de mogelijkheid tot gokken) wat bij een minderheid van mensen leidt tot klachten (bv., het fietshok vermijden of een gokverslaving). Voor PTSS worden de klachten dus meer vanuit de omgeving veroorzaakt dan vanuit de genen, want een extreme traumatische ervaring resulteert bij veel mensen in aanhoudende stressklachten. Desondanks zijn er ook evolutionaire verklaringen waarom we dit specifieke patroon aan gedragingen vertonen in extreme stresssituaties.

De evolutionaire oorsprong van stressreacties

Wanneer mensen geconfronteerd worden met bedreigende of anderzijds stressvolle situaties lokt dit bij mensen stressreacties uit, zoals een verhoging van de spierspanning en een snellere hartslag (zie ook blog 1 over angst). Deze stressreacties worden vanuit de hersenen aangestuurd met behulp van allerlei neurotransmitters en hormonen, zoals adrenaline en cortisol. Deze reacties zijn evolutionair nuttig om effectief te kunnen omgaan met de dreiging (bv., mobiliseren van energie voor actie). Maar deze stressvolle staat van het lichaam is op lange duur belastend en na het verdwijnen van de dreiging is het belangrijk dat het lichaam zich terug begeeft naar een ‘stressloze’ staat. Wanneer de stressreacties niet verdwijnen kan dit aanleiding geven tot PTSS-achtige klachten.

Bij PTSS is er sprake van een extreme stresssituatie welke aanhoudende stressreacties veroorzaakt. De normale en evolutionair adaptieve stressreactie van mensen wordt langdurig uitgelokt door blootstelling aan een extreme situatie. Hierdoor zullen mensen met PTSS soms erg schrikken wanneer ze een plots geluid horen of onverwachts worden aangeraakt. Daarnaast kunnen bepaalde stimuli gelinkt aan de stresssituatie (bv., een specifieke locatie, geur of gedrag) de stressreacties telkens opnieuw triggeren. Deze aanhoudende stressreacties kunnen leiden tot allerlei andere problemen zoals moeite met slapen, concentreren, intimiteit of het niet meer kunnen uitvoeren van een baan.

Verder zijn herbelevingssymptomen zoals ‘flashbacks’ en nachtmerries ook prominent aanwezig bij PTSS. Deze symptomen kunnen evolutionair verklaard worden doordat mensen een sterke afkeer hebben voor extreem geweld en dreiging. Dit draagt evolutionair bij aan overleving en onze genen succesvol kunnen doorgeven aan een volgende generatie. Blootstelling aan een intense dreigende situatie is een (ongewenste) leerervaring die ervoor zorgt dat onze hersenen op zoek gaan naar verklaringen en manieren om deze extreme situaties te voorkomen in de toekomst. Bijvoorbeeld kan iemand die seksueel geweld heeft meegemaakt zich blijvend afvragen waarom hij of zij niet voldoende sterk heeft gereageerd of iemand te veel vertrouwd heeft. Merk op dat ‘bevriezen’ in dreigende situaties ook een evolutionair ontwikkelde reactie is waarover mensen geen controle hebben (zie blog 1). Vaak zijn traumatische gebeurtenissen zo plots en schokkend dat onze hersenen veel tijd nodig hebben om deze gebeurtenissen te kunnen plaatsen en begrijpen.

De behandeling van PTSS

Aanhoudende stressreacties en herbelevingssymptomen kunnen zoals vermeld vele andere psychosociale klachten opleveren zoals slapeloosheid, angst en depressie.  Daarom is het belangrijk om effectieve behandelingen te hebben voor PTSS. Eén behandeling die effectief is gebleken voor het behandelen van PTSS is ‘Eye-Movement Desensitization and Reprocessing’ (EMDR) therapie. Hierbij worden patiënten met PTSS gevraagd om de gevreesde gedachte aan de traumatische ervaring op te halen in hun geheugen terwijl zij tegelijkertijd met hun ogen laterale bewegingen maken gedurende een 30-tal seconden. Hierna wordt aan de patiënt gevraagd om de herinnering opnieuw op te halen en meer te vertellen over de gedachten en gevoelens gekoppeld aan dit beeld. Daarna worden de laterale oogbeweging herhaald tot wanneer de intensiteit van de herinnering voldoende is gezakt. Deze techniek werkt vaak goed om de intensiteit van de herinnering af te zwakken, wat ook leidt tot een verbetering van andere PTSS-symptomen.

Het werkingsmechanisme van EMDR therapie is wellicht dat het ophalen van een traumatische herinnering samen met het uitvoeren van oogbewegingen zorgt voor een onderlinge competitie voor de beperkte werkgeheugencapaciteit van de hersenen. Door deze competitie tussen het ophalen van de traumatische herinnering en het uitvoeren van de oogbewegingen wordt het mentale beeld van de traumatische herinnering afgezwakt, waardoor deze als minder levendig en emotioneel wordt ervaren (1,2). Daarnaast kan het ervaren van het verzwakte beeld van de herinnering mogelijks personen met PTSS het gevoel geven dat ze meer controle en minder stress ervaren over de herinnering. Uit vele verschillende studies komt naar voor dat EMDR een effectieve behandeling is voor PTSS klachten (3,4).

Een andere benadering om PTSS te behandelen is het gebruik van Virtual Reality (VR). Met behulp van VR kunnen mensen met PTSS op een gecontroleerde manier worden blootgesteld worden aan de stressvolle situatie (bv., een oorlogssituatie) waardoor hun klachten zijn ontstaan. Daarbij worden patiënten begeleid om de intense herinneringen en emoties gekoppeld met deze situatie opnieuw te beleven en deze te proberen verwerken onder begeleiding van een psycholoog. Ook dit kan helpen om de sterke stressreacties op traumatriggers af te proberen zwakken en vermijding van gerelateerde cues te verminderen (5). Het doel van deze therapie is om de impact van het trauma en de gerelateerde herinneringen op het leven patiënt te proberen verminderen.

Individuele verschillen in de gevoeligheid aan trauma

Desondanks dat hevige stressreacties voorkomen bij veel mensen in stressvolle situaties, ontwikkelt niet iedereen die een stressvolle situatie doormaakt PTSS. Zo komen ambulancemedewerkers of politieagenten erg vaak in stressvolle situaties terecht, maar krijgt slechts een (substantiële) minderheid van hen last van PTSS. Net zoals bij de andere stoornissen hebben sommige personen een sterkere neiging tot het hebben van extreme stressreacties dan andere personen. Het makkelijk activeren van het stresssysteem kan soms voordelig zijn wanneer de stressvolle omstandigheden waarmee iemand geconfronteerd wordt vrij mild en niet al te frequent zijn (bv., tijdig beginnen studeren voor een examen), maar kan nadelen opleveren wanneer iemand vaker met stressvolle situaties wordt geconfronteerd. Er is dan ook wellicht sprake van een zelfselectie effect wat betreft werken in stressvolle situaties: Agenten, verpleegkundigen en militair personeel hebben wellicht (gemiddeld gezien) een hogere sensatiezoekende persoonlijkheid en hebben een betere tolerantie voor potentieel traumatiserende gebeurtenissen. Ook bij een sterk ‘omgevingsgestuurde’ stoornis zoals PTSS speelt genetische kwetsbaarheid dus een belangrijke rol.

De uitbreidende definitie van ‘trauma’

Momenteel is directe of indirecte blootstelling aan de dood, ernstige verwonding of seksueel geweld een noodzakelijk criterium voor het diagnosticeren van PTSS in de DSM-5. Maar over dit criterium bestaat discussie. Sommige therapeuten en onderzoekers beargumenteren dat andere typen trauma, zoals pesten of een relatiebreuk, ook zouden moeten meetellen als mogelijke aanleiding voor de diagnose van PTSS. Sommige personen ervaren namelijk veel klachten na pesten of een relatiebreuk die grote overeenkomsten hebben met PTSS (bv., ‘flashbacks’). Zij hebben hierdoor ook wellicht baat van behandelingen die nuttig zijn voor PTSS, zoals EMDR en blootstellingstherapie. Desondanks kunnen hun klachten niet officieel gediagnosticeerd worden als PTSS omdat er geen sprake is van blootstelling is aan dood, ernstige verwonding of seksueel geweld.

Een uitgebreidere definitie van de stressoren die kunnen leiden tot PTSS is wellicht nuttig. Een nadeel hiervan is echter dat PTSS-symptomen door ernstige stressoren zoals zwaar geweld of verkrachting in eenzelfde categorie worden gestopt als PTSS-symptomen door mildere stressoren zoals pesten of een relatiebreuk. Dit zou kunnen opgelost worden door ook de ernst van het trauma en de PTSS-symptomen mee te nemen in de diagnostiek. Momenteel is er in de klinische praktijk al vaak sprake van een “complexe PTSS” diagnose, waarbij een patiënt hevige PTSS-symptomen ervaart door langdurige blootstelling aan meerdere trauma’s (vooral tijdens de kindertijd zoals kinderverwaarlozing, geweld en verkrachting) (6). Complexe PTSS is echter nog niet opgenomen als officiële diagnose in de DSM (maar wel in het alternatieve classificatiesysteem, de International Statistical Classification of Diseases).

Trauma en andere psychische stoornissen

Blootstelling aan trauma is gelinkt aan vele andere psychologische stoornissen naast PTSS, zoals depressie, angststoornissen, verslaving en persoonlijkheidsstoornissen. Tot wel 80% van alle mensen met een PTSS diagnose heeft ook een andere diagnosticeerbare psychische stoornis (7). Comorbiditeit is dus de regel eerder dan de uitzondering van PTSS en trauma. Waarschijnlijk is blootstelling aan trauma een belangrijke contribuerende factor voor het ontwikkelen van andere stoornissen, zoals pleinvrees of alcoholverslaving. Dit suggereert ook dat het behandelen van trauma’s met behulp van interventies zoals EMDR en VR therapie mogelijks behulpzaam kan zijn bij veel verschillende stoornissen zoals angststoornissen en depressie. Het is echter wel belangrijk om te onthouden dat trauma’s typisch niet de enige aanleiding zijn voor psychische stoornissen. Vaak is er (ook) sprake van genetische kwetsbaarheid en mildere stressoren (bv., werkstress) die aanleiding kunnen geven tot psychologische stoornissen zoals angststoornissen, verslaving of depressie, wat een andere aanpak vereist dan (enkel) traumagerichte therapie. Daarom is het aan te raden om als behandelaar goed zicht te krijgen op de oorzaak van de klachten en de therapie hierop af te stemmen (bv., trauma-gerichte therapie gebruiken wanneer er daadwerkelijk sprake is van trauma en andere behandelopties indien dit niet het geval is; zie ook de vorige blogposts en blog 10).

Conclusie: PTSS als een extreme stressreactie op een uitzonderlijke situatie

In tegenstelling tot de eerdere stoornissen die zijn besproken in dit boek (o.a., angststoornissen en depressie) wordt PTSS sterk aangestuurd vanuit de omgeving: Een hevige stressor zorgt voor aanhoudende stressreacties. Wanneer de stressor sterk genoeg is (bv., oorlogssituaties) zorgt dit voor PTSS-achtige klachten bij nagenoeg iedereen (bv., zelfs bij special forces soldaten, die niet bepaald een neiging hebben om angstig te zijn). Deze stressreacties hebben een evolutionair nut om ons voor te bereiden op het omgaan met de stressor en deze in de toekomst te proberen vermijden. Maar bij extreme stresssituaties kan dit zorgen voor langdurige stressklachten. Onze hersenen lijken continu op zoek te gaan naar verklaringen en oorzaken van de stressvolle situaties, wat kan aanleiding geven tot aanhoudende herbelevingssymptomen zoals flashbacks en nachtmerries. Deze stress- en herbelevingsreacties kunnen langdurig blijven aanhouden, wat kan resulteren in allerlei andere mentale en sociale problemen zoals slaapstoornissen of relatieproblemen. Verschillende therapieën zoals blootstellingstherapie en EMDR kunnen helpen om dit patroon van aanhoudende stressreacties te doorbreken.

Referenties

1.          van den Hout MA, Engelhard IM. How does EMDR work? J Exp Psychopathol [Internet]. 2012 Jan 23;3(5):jep.028212. Available from: http://jep.textrum.com/index.php?art_id=113

2.          Gunter RW, Bodner GE. How eye movements affect unpleasant memories: Support for a working-memory account. Behav Res Ther [Internet]. 2008 Aug;46(8):913–31. Available from: http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0005796708000880

3.          Davidson PR, Parker KCH. Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR): A Meta-Analysis. Consult Clin Psychol. 2001;69(2):305–16.

4.          Cuijpers P, Veen SC van, Sijbrandij M, Yoder W, Cristea IA. Eye movement desensitization and reprocessing for mental health problems: a systematic review and meta-analysis. Cogn Behav Ther [Internet]. 2020 Feb 11;00(00):1–16. Available from: https://doi.org/10.1080/16506073.2019.1703801

5.          Kothgassner OD, Goreis A, Kafka JX, Van Eickels RL, Plener PL, Felnhofer A. Virtual reality exposure therapy for posttraumatic stress disorder (PTSD): a meta-analysis. Eur J Psychotraumatol [Internet]. 2019 Dec 31;10(1). Available from: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/20008198.2019.1654782

6.          Herman JL. Complex PTSD: A syndrome in survivors of prolonged and repeated trauma. J Trauma Stress [Internet]. 1992 Jul 19;5(3):377–91. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/jts.2490050305

7.          Fox R, Hyland P, McHugh Power J, Coogan AN. Patterns of comorbidity associated with ICD-11 PTSD among older adults in the United States. Psychiatry Res [Internet]. 2020 Aug;290:113171. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0165178120304492

Blog 4 in de reeks ‘evolutionaire psychologie’: Evolutie en verslavingen

Om als mensen succesvol te overleven en onze genen door te geven moeten we niet enkel met gevaren omgaan (blog 1) en samenleven in een groep (blog 2), maar moeten we ook voldoen aan een breder aantal (basis)behoeftes zoals voedsel, water, goede huizing, vrije tijd, sociale status en seks. Onze hersenen worden gemotiveerd om aan deze behoeftes te voldoen door een toename van dopamine in specifieke hersengebieden, wat resulteert in een kortstondig fijn gevoel. Maar dit kan ook aanleiding geven tot verslavingen, waarvan bedrijven graag gebruik van maken om geld te verdienen. In deze blog diep ik verder uit hoe onze evolutionaire behoeftes kunnen leiden tot verslavingen, zeker in consumptiemaatschappijen waar vele verleidingen zoals fastfood, TV series, gamen, online shopping, kansspelen of internetporno overvloedig aanwezig zijn.

Basisbehoeften, dopamine en overconsumptie

Tijdens de evolutie van de mens was er vaak sprake van schaarste aan voedsel en water. Ons lichaam heeft zich daardoor aangepast om overtollige calorieën op te slaan in de vorm van vet en om water te besparen in tijden van gebrek, bijvoorbeeld door minder te zweten en speeksel te produceren. Dit geldt ook voor andere essentiële zaken, zoals basismaterialen (kleding, gereedschap, kookgerei) en luxegoederen (zoals juwelen), evenals voor seks en sociale middelen (waaronder vrienden, netwerken en status). Omdat deze zaken vaak schaars waren en nog steeds zijn is het evolutionair voordelig om aan deze behoeften te voldoen. Onze hersenen zijn daarom geëvolueerd om motivatie te creëren om in onze (basis)behoeften te voorzien: we krijgen een kleine dopamineboost wanneer we eten, drinken, sociale bevestiging krijgen, seks hebben of leuke dingen aanschaffen, wat leidt tot een kortstondig gevoel van geluk.

In moderne samenlevingen komen markten en fabrikanten van goederen momenteel ruimschoots tegemoet aan sommige van deze evolutionaire behoeftes zoals bijvoorbeeld via de productie van voedsel, medicatie en kleding. Maar soms gebeurt dit op een extreme manier wat negatieve gevolgen kan veroorzaken. Zo verkopen fastfoodketens calorierijk voedsel met veel verzadigde vetten, suikers en zout waarvoor mensen een sterke voorkeur hebben, met een obesitasepidemie tot gevolg. Op een vergelijkbare manier komen producenten van pornofilms tegemoet aan een menselijke behoefte aan seks op een extreme manier die vaak weinig overeenkomsten met alledaagse seks en creëren sociale mediawebsites een vals gevoel van sociaal contact met ‘likes’ en ‘volgers’. Op deze manier worden onze evolutionaire voorkeuren en behoeften elke dag verleid met vaak extreme surrogaten (bv., fastfood, porno of ‘likes’ op sociale media), wat voor sommige mensen resulteert in een verslaving.

Bij het voldoen van onze (basis)behoeftes is er dus wederom sprake van een mismatch tussen genetisch geselecteerde voorkeuren voor zaken zoals calorierijk voedsel, seks en sociale validatie en de omgeving waarin deze zaken momenteel overvloedig beschikbaar zijn (fastfood, porno) of gebruikt worden door bedrijven (likes via sociale media). Deze mismatch levert op zijn beurt problemen op zoals obesitas, porno-verslaving en sociale-media verslaving. Dit verschil in onze historische omgeving waarin we evolutionair zijn aangepast en de moderne samenleving verklaart de grote aanwezigheid van deze verslavingen in moderne samenlevingen (met schattingen die oplopen tot 10% van de bevolking) (3).

Waarom verslavingen schadelijk zijn

Een verslaving komt voor wanneer iemand geen controle meer heeft over zijn of haar gedrag of het gebruik van middelen. Meestal gaat na verloop van tijd de nood aan het middel of het gedrag een hele sterke invloed uitoefenen op het leven van een persoon en tot problemen leiden. Zo kan iemand met een drugsverslaving al zijn of haar spaargeld (en dat van vrienden en familie) uitgeven aan het kopen van drugs en hierdoor mogelijk werkloos of dakloos worden. Op een gelijkaardige manier kan iemand met een gokverslaving al zijn spaargeld verspelen en eindigen met grote schulden of iemand met een sociale media verslaving kan de hele dag spenderen aan het creëren van content voor hun profiel, wat leidt tot de verwaarlozing van sociale relaties met vrienden en familie. Daarnaast kan een fastfood verslaving leiden tot morbide obesitas en kan een pornoverslaving ervoor zorgen dat je geen gezonde seksuele relaties meer kan aangaan. Kortom, een verslaving kan het hele leven van iemand overnemen en leiden tot aanzienlijke lichamelijke, mentale, financiële en/of sociale problemen.

Vaak is er een gradueel verloop bij een verslaving, waarbij er pas na verloop van tijd sprake is van problematisch gedrag. Initieel is het gedrag vaak onschuldig, maar na verloop van tijd is er steeds meer extremer gedrag of stimulatie nodig om hetzelfde belonende gevoel te krijgen. Zo kan bijvoorbeeld iemand met een gokverslaving telkens grotere sommen geld vergokken of iemand met een pornoverslaving steeds extremere en illegale films kijken om nog dezelfde opwinding te kunnen ervaren. Op een gelijkaardige manier kan iemand gradueel meer tijd investeren in het maken van digitale content of steeds meer fastfood eten om een gevoel van verzadiging te krijgen. Dit graduele verloop zorgt ervoor dat een verslaving soms moeilijk te herkennen is door de persoon zelf. Vaak kunnen anderen het verslaafde gedrag beter herkennen. Soms is op dit punt de veroorzaakte schade al enorm en moeilijk te overkomen. Toch is het goed om te realiseren dat er op ieder moment nog een ommekeer kan worden gemaakt weg van de snelle maar schadelijke beloningen gelinkt aan verslavingen.

Gedragsverslavingen en drugsverslavingen

In de wetenschappelijke literatuur wordt er soms een onderscheid gemaakt tussen gedragsverslavingen en drugsverslavingen. Bij gedragsverslavingen is de verslaving gelinkt aan het stellen van specifieke gedragingen zoals het eten van fastfood, gokken of online content plaatsen. Hierbij worden de hersenen indirect gestimuleerd met een korte dopamineboost door het eten van calorierijk fastfood of het krijgen van validatie (bv., ‘likes’) op sociale media. Daarentegen hebben verschillende drugs een directe invloed op dopamine en endorfine receptoren in de hersenen, wat leidt tot een fijn gevoel. Zo stimuleert het nemen van cocaïne direct de hoeveelheid dopamine in bepaalde hersengebieden, wat zorgt voor een genotsgevoel en een toename aan zelfvertrouwen. Heroïne daarentegen heeft een effect op de endorfine-receptoren in de hersenen, wat zorgt voor pijnverlaging en een intens gelukzalig gevoel. Door deze directe werking op het beloningsysteem in de hersenen kunnen harddrugs een sterk verslavend effect veroorzaken.

Zowel bij gedragsverslavingen en drugsverslavingen treedt er helaas vaak snel gewenning op aan de dopamineverhogingen in de hersenen, waardoor steeds grotere of frequentere dosissen moeten genomen worden van de drugs of dat er extremer gedrag moet worden gesteld (bv., grotere bedragen vergokken of vaker content posten op sociale media) om hetzelfde belonende effect te krijgen. Hierdoor kunnen beide soorten van verslavingen snel escaleren.

Net zoals bij gedragsverslavingen is er ook bij harddrugs opnieuw sprake van een evolutionaire mismatch: doorheen onze evolutie waren er nog nooit gepurificeerde of synthetische stoffen die een dergelijke sterke werking hebben op onze hersenen. We zijn dus ook niet evolutionair aangepast aan de mogelijke problemen die deze stoffen veroorzaken, zoals neveneffecten, afhankelijkheid en problemen in de sociale omgeving. Nu dat harddrugs meer en meer beschikbaar worden in Nederland en België levert deze mismatch aanzienlijke individuele en maatschappelijke problemen op.

Verslavingen tegengaan: uitgestelde beloning en alternatieve beloning

Door marktwerking en het resulterende uitgebreide aanbod aan dopamine-stimulerende middelen vergt het in de huidige maatschappij veel zelfcontrole om niet verslaafd te worden aan een van de vele verleidingen zoals fastfood, porno, gokken, roken, alcohol, drugs, gamen, medicatie, tv-series, shoppen of sociale media. Met uitzondering van drugs worden al deze zaken vaak direct gemarket aan ons (bv., via reclame op tv) en zijn ze makkelijk beschikbaar. Maar ondanks dat deze zaken makkelijk beschikbaar zijn en een fijn gevoel geven op korte termijn, zorgen ze op lange termijn vaak voor aanzienlijke gezondheidsschade, financiële problemen en/of sociale conflicten.

Eén manier om met deze verleiding door verslavende middelen om te gaan is via het hebben of aanleren van zelfcontrole. Vanuit onze omgeving en via informatiecampagnes worden we eraan herinnerd om aan de gevolgen op lange termijn te denken die zijn gelinkt aan verschillende verslaving (bv., leverschade na langdurig gebruik van alcohol) in plaats van enkel te focussen op het genot op de korte termijn. In de psychologie wordt het prioriteren van lange-termijn doelen over korte-termijn beloningen ook wel uitgesteld beloning genoemd. In de meest bekende studie over dit fenomeen gaven de onderzoekers kinderen een bord met een marshmallow erop (4). De kinderen werden verteld dat zij deze marshmallow meteen mochten opeten, maar als ze dit niet meteen deden zouden ze na ongeveer 15 minuten wachten een extra marshmallow krijgen. Deze “marshmallow test” om zelfcontrole te meten is nuttig gebleken om succes op latere leeftijd bij deze kinderen te voorspellen zoals schoolresultaten en een gezond BMI. Het niet doorstaan van de marshmallow test was gerelateerd aan een hogere kans op drugsgebruik op latere leeftijd (4).

Het hebben van zelfcontrole lijkt dus zeer nuttig in de context van verslavingen, zeker wanneer er vele verleidingen zijn die op lange termijn schade kunnen veroorzaken. Maar psychologisch onderzoek toont aan dat het moeilijk is om continu zelfcontrole te vertonen. Meer specifiek komt er uit sommige onderzoeken naar voren dat zelfcontrole een beperkte hulpbron is: na verloop van tijd raakt zelfcontrole uitgeput, net zoals een spier die vermoeid raakt (5). Na het uitoefenen van veel zelfcontrole hebben mensen soms moeilijkheden met het volhouden van zelfcontrole voor andere zaken (bv., na veel te hebben gewerkt ‘belonen’ sommige mensen zichzelf met ongezond eten) (6). Zelfcontrole is dus geen eindeloze bron. Daarnaast is er ook natuurlijke variabiliteit in het hebben van zelfcontrole: sommige mensen hebben veel meer zelfcontrole dan anderen. Het hebben van zelfcontrole alleen is dus vaak onvoldoende om met verslavingen om te kunnen gaan, zeker voor mensen die hier meer moeite mee hebben.

Een andere techniek dan zelfcontrole om verslavingen te vermijden of tegen te gaan is het zoeken naar andere zaken die belonend werken, zonder dat ze schadelijke effecten hebben op lange termijn. Hobby’s zoals hardlopen, fitness, tennis, bordspelletjes, filmavonden, lezen en reizen hebben ook een belonend effect op de hersenen, zonder dat ze op de lange termijn slecht voor ons zijn. Een welbekend fenomeen hiervan is de “runner’s high” waarbij endorfine in de hersenen vrijkomt na een lange rensessie (en andere sportsessies). Een voordeel van deze techniek is dat het vervangen van verslavingen door positieve (belonende) activiteiten een kleinere hoeveelheid zelfcontrole vereisen. Het is namelijk makkelijker om een andere leuke activiteit te doen (bv., naar de bioscoop gaan) dan om enkel iets niet te doen (bv., niet thuisblijven om series te binge-watchen). Een ander voordeel is dat positieve hobby’s vaak incompatibel zijn met verslavingen. Zo zijn alcohol en drugs slecht combineerbaar met sport of zijn spelletjesavonden met vrienden slecht combineerbaar met een verslaving aan sociale media. Onderzoek heeft ook aangetoond dat sport en fysieke activiteit kunnen helpen om drugsverslavingen tegen te gaan (7,8).

Conclusie: Verslavingen als evolutionaire mismatch

Doorheen onze evolutionaire geschiedenis hebben we sterke behoeftes ontwikkeld aan bepaalde zaken zoals calorierijk voedsel, seks en sociale validatie. In moderne samenlevingen zijn sommige van deze dingen overvloedig aanwezig, wat kan leiden tot verslavingen die een negatieve impact hebben op onze gezondheid en sociaal functioneren. Het vergt bijzonder veel zelfcontrole van mensen om niet verslaafd te worden aan de vele verleidingen die binnen moderne consumptie-gerichte samenlevingen worden aangeboden (bv., tv-series, sportweddenschappen, porno, fastfood, frisdrank, sociale media, games, online shoppen, etc.). Op individueel niveau kan het focussen op alternatieve belonende en gezonde activiteiten zoals sport of sociale activiteiten een manier bieden om met dit grote aanbod aan verslavende middelen om te gaan. Maar wellicht zal er op lange termijn meer regelgeving moeten komen vanuit overheden om de schadelijke gevolgen van overconsumptie te beperken, net zoals dit bijvoorbeeld met tabaksproducten gebeurde.


Referenties

1.          Spanagel R, Weiss F. The dopamine hypothesis of reward: past and current status. Trends Neurosci [Internet]. 1999 Nov;22(11):521–7. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0166223699014472

2.          Schultz W. Getting Formal with Dopamine and Reward. Neuron [Internet]. 2002 Oct;36(2):241–63. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0896627302009674

3.          Jellinenk. Hoeveel mensen in Nederland zijn verslaafd en hoeveel zijn er in behandeling? [Internet]. 2023. Available from: https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/hoeveel-mensen-zijn-verslaafd-en-hoeveel-zijn-er-in-behandeling/

4.          Shoda Y, Mischel W, Peake PK. Predicting adolescent cognitive and self-regulatory competencies from preschool delay of gratification: Identifying diagnostic conditions. Dev Psychol [Internet]. 1990 Nov;26(6):978–86. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0012-1649.26.6.978

5.          Muraven M, Baumeister RF. Self-regulation and depletion of limited resources: Does self-control resemble a muscle? Psychol Bull [Internet]. 2000;126(2):247–59. Available from: https://doi.apa.org/doi/10.1037/0033-2909.126.2.247

6.          de Witt Huberts JC, Evers C, De Ridder DTD. License to sin: Self‐licensing as a mechanism underlying hedonic consumption. Eur J Soc Psychol [Internet]. 2012 Jun 20;42(4):490–6. Available from: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/ejsp.861

7.          Wang D, Wang Y, Wang Y, Li R, Zhou C. Impact of Physical Exercise on Substance Use Disorders: A Meta-Analysis. Raju R, editor. PLoS One [Internet]. 2014 Oct 16;9(10):e110728. Available from: https://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0110728

8.          Lynch WJ, Peterson AB, Sanchez V, Abel J, Smith MA. Exercise as a novel treatment for drug addiction: A neurobiological and stage-dependent hypothesis. Neurosci Biobehav Rev [Internet]. 2013 Sep;37(8):1622–44. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0149763413001668